Joris Tieleman begrijpt de economische wetenschap (nog) niet

Meer dan vier jaar geleden had Joris Tieleman samen met Lorenzo Fränkel in het tv-programma Buitenhof een discussie met Pieter Gautier, hoogleraar arbeidseconomie in Amsterdam, over de stand van zaken in de economische wetenschap. Tieleman verweet Gautier dat hij ten onrechte het bestaan van “de blinde vlekken van de economische wetenschap die slechts oog heeft voor het rationele wiskundige model en een perfect werkende markt die keer op keer tot crises leiden” ontkent (zie deze samenvatting). Tieleman was toen nog student in de economie. Inmiddels bereidt hij een proefschrift in de economie voor. Hij moet nog veel leren, zoals blijkt uit een lang opiniestuk van hem in De Volkskrant.

Thomas Piketty, een neoklassiek econoom

Bron: commons. wikimedia.org foto door Sue Gardner

Neem bovenstaande quote; deze wemelt van de misvattingen. Laten we er één uitlichten: de economische wetenschap zou ook zonder wiskundige modellen moeten kunnen. Kijk naar Thomas Piketty, die in 2014 een dik boek schreef over kapitaal met haast geen formules. Dit boek sloeg in als een bom, vooral door de boodschap. Die boodschap was dat het aandeel van kapitaal in het nationale inkomen vrijwel ongeremd zal gaan toenemen, ten koste van het aandeel van arbeid. Een mooie, bijna marxistische boodschap die dan ook door mensen als Joris Tieleman werd omarmd als bewijs dat het ook anders kan, namelijk stevige economische conclusies trekken zonder wiskundig model. Helaas, geheel onjuist. Piketty is een vertegenwoordiger (tegen wil en dank) van de neoklassieke economie, de stroming die “veel waarde toekent aan de markt en marktwerking in de economie. Deze theorie gaat ervan uit dat mensen rationeel zijn en vooral uit zijn op het eigenbelang. (…) Wij zijn niet tegen die neoklassieke benadering van de economie, maar wel tegen de dominantie daarvan in het economieonderwijs.”

Aldus Rethinking Economics, een groep economiestudenten, met Joris Tieleman als een van de leidende figuren betrokken bij de oprichting. Bij Piketty is het neoklassieke model zo dominant als het maar zijn kan, alleen is dat model vakkundig in zijn boek verborgen. Hij is zelfs zo neoklassiek dat Marxistische economen, die kapitalisten als uitbuiters zien, Piketty kapittelen omdat hij geen oog heeft voor de opvatting van kapitaal als basis voor macht en machtsmisbruik (zie hier ). Zonder zijn neoklassieke uitgangspunten had hij zijn boek zelfs niet kunnen schrijven.

Een zo’n uitgangspunt, bijvoorbeeld, is dat je kapitaal kunt meten, eenvoudigweg door de waarde van niet-menselijke hulpmiddelen die gebruikt worden bij de productie van goederen en diensten (machines, gebouwen, computers, etc.) bij elkaar op te tellen. Die meting is nogal cruciaal in het boek van Piketty, maar volgens een Marxistisch econoom is zo’n meting neoklassieke onzin: de waarde van kapitaal wordt vooral bepaald door manipulatie van de kapitaalbezitters. Zij kunnen, afhankelijk van de situatie, soms de waarde van hun bezit kunstmatig oppompen en soms klapt de waarde uit elkaar (zie dit blog voor meer informatie).

De markt werkt vaak niet goed

Mijn vak (openbare financiën) gaat voor een belangrijk deel over de vraag wanneer en waarom de markt niet goed functioneert. Adam Smith kwam 240 jaar geleden met het idee dat de markt er voor kon zorgen dat de welvaart van een land zo hoog mogelijk wordt. Vraag en aanbod op een markt worden bij elkaar gebracht omdat prijsveranderingen eventuele overschotten (te veel aanbod) of tekorten (te veel vraag) vanzelf weg werken. Beter dan de markt, dat kan niet.

Dat was 240 jaar geleden. Daarna zijn er karrevrachten aan artikelen en boeken geschreven om te laten zien dat de markt niet altijd (goed) werkt. De markt werkt bijvoorbeeld niet goed wanneer vragers en aanbieders verschillende informatie hebben over de kwaliteit van het verhandelde goed. Er zijn meningsverschillen tussen economen wanneer die zogenaamde markt-imperfecties relevant zijn. Milton Friedman (1912-2006, zie foto) was een typisch voorbeeld van een econoom die heilig in de markt geloofde. Maar Joseph Stiglitz is een tegenvoorbeeld. Beluister hier wat hij in 2010 over het marktmechanisme zei. Stiglitz zelf heeft in zijn academische werk fundamentele artikelen geschreven die laten zien wat er gebeurt als de ‘simplistische aannames’ van de vrije-markteconomen niet opgaan. Hij schreef sommige van die artikelen in de jaren 70, ver voor de kredietcrisis.

Met dit gegeven voelt het voor mij vreemd aan om te horen verkondigen dat de neoklassieke economie “veel waarde toekent aan de markt en marktwerking in de economie”. Hebben de heren en dames studenten dan zo’n slecht economie-onderwijs gekregen dat ze middel en doel niet meer van elkaar kunnen scheiden? Je zult toch eerst moeten weten hoe de markt zou moeten werken in het ideale geval van Adam Smith (=middel) voordat je iets kunt zeggen over wat er allemaal fout kan gaan in de markt. Als je weet hoe de markt werkt, dan weet je ook of en hoe die afwijkt van het ideale geval en dan weet je ook wanneer je de markt juist niet moet inschakelen, en wanneer wel (=doel).

Iedere markt is verschillend. De markt voor brood werkt redelijk goed, maar de markt voor zorg is typisch een voorbeeld van een markt waar heel veel zogenaamde marktimperfecties een rol spelen. Eigenlijk is er ook niet één markt, maar is er sprake van meerdere markten tegelijk. In al die markten speelt informatie-asymmetrie een rol, tussen verzekeraar en verzekerde, tussen patiënt en dokter, tussen patiënt en zorginstelling en tussen al deze groepen en de overheid (gemeenten, provincies en het Rijk). Informatie-asymmetrie wil zeggen dat een van de twee kanten van de markt (vraag of aanbod) andere informatie heeft dan de andere kant. Op een vrije markt kan dit tot regelrechte rampen lijden, zoals onverzekerbaarheid voor sommige groepen mensen, vooral relatief arme en ongezonde mensen, zie hier voor meer details.

Beleidsmakers kennen hun markten ook niet altijd

Voor het beleid is kennis van de werking van de zorg- en zorgverzekeringsmarkt een belangrijk gegeven. In Nederland heeft deze kennis tot een sterke regulering van de zorgverzekeringsmarkt geleid. Met dank aan de neoklassieke theorie.

Bron: unsplash.com foto: Jack Finnigan

Er is door beleidsmakers echter wel min of meer ongereguleerde marktwerking ingevoerd in delen van de zorg waar je marktwerking zeker zou moeten weren, namelijk in de zogeheten care-sector. In deze sector gaat het er niet om mensen (=patiënten) te genezen van ziekte, maar om mensen (=cliënten) te helpen hun leven (weer) op de rails te krijgen. Deze zorgvragers zijn namelijk (hopelijk tijdelijk) niet in staat (goede) keuzes te maken, en zijn afhankelijk van anderen om weer doel en richting in hun leven te vinden. Deze mensen zijn interessante ‘objecten’ voor zorgaanbieders die winsten ruiken. Zij bieden ‘hulp’ aan om geld te verdienen en weten hun cliënten afhankelijk van hen te maken. Dat is niet moeilijk, want deze mensen zijn stuurloos: als ze eenmaal gevangen zijn in het web van een kwaadwillende aanbieder, kunnen zij geen kant meer op. De aanbieder heeft dan in feite een monopolie gekregen op de zorg voor de cliënt. Die zorg is dan vaak beroerd, zie: dit blog voor details.

Monopolievorming is een reden voor de overheid om de markt heel strikt te reguleren. Dat gebeurt in de ‘care’-sector niet, waarschijnlijk omdat de beleidsmakers te weinig geleerd hebben de neoklassieke theorie op de juiste wijze toe te passen. Wat lezen we daarover bij Joris Tieleman? Het volgende: “Maar die focus op markten en commerciële bedrijven maakt het wel erg moeilijk om een sector als de zorg te begrijpen, waar slechts een beperkt deel aan echt commerciële partijen wordt overgelaten en de overheid ook veel zelf doet.”

Joris Tieleman begrijpt dus niet dat als je de markten en de marktwerking goed leert kennen (volgens de neoklassieke theorie), je ook beter zult begrijpen wanneer je wel en wanneer je niet in de markt kunt ingrijpen. Dan lijkt het wel wat vreemd dat Tieleman vindt dat er minder aandacht besteed moet worden aan marktwerking in de economie-opleiding. Voor hem zelf had een uitgebreidere bestudering van marktwerking geen kwaad gekund.

De economische theorie begrijpt economische groei niet

Nog een citaat van Tieleman: “Economische groei drijft ons naar de afgrond. Waar is die groei voor nodig, Nederland is toch al rijk genoeg?” Dat is dan niet een quote van Tieleman zelf, maar van een student die hij kennelijk met instemming opvoert. De rol van economische groei in de economische theorie is een voortdurende bron van misvattingen. Het citaat suggereert dat uit de theorie zou volgen dat groei goed en zelfs noodzakelijk is.

Ook hier heeft Tieleman in de klas niet goed opgelet. De economische theorie is namelijk vrijwel niet in staat economische groei te verklaren (zie hier). De neoklassieke theorie kan alleen maar uitleggen waarom economische groei ophoudt, terwijl de zogeheten endogene-groeitheorie een ad-hoc aanname nodig heeft om economische groei te verklaren. Die ad-hoc aanname is dat als er maar voldoende ideeën zijn voor nieuwe producten economische groei op gang blijft (het invoeren van deze aanname in de theorie was genoeg voor een Nobelprijs in de economie). Die groei kan dan zelfs duurzaam zijn als de overheid op de juiste wijze ingrijpt.

Voor zover ik weet is deze zogenaamde endogene-groeitheorie empirisch niet te bewijzen. De beleidsaanbevelingen die er uit volgen, zijn ook erg dun: de overheid moet er voor zorgen dat nieuwe ideeën voldoende ruimte krijgen. Dat leidt dan meestal tot de dooddoener dat er meer in onderwijs geïnvesteerd moet worden, maar hoeveel en in welke richting is onduidelijk.

Bovendien, is het wel zo dat nieuwe ideeën altijd tot meer groei leiden? Er zijn ook economen die gevonden hebben dat het toepassen van nieuwe ideeën ook tot een doodlopende straat kan leiden. In het jargon van de econoom: er kan sprake zijn van afnemende meeropbrengsten van nieuwe ideeën. Dan zijn we weer terug bij af en weten we dus nog steeds niet waarom economieën kunnen groeien.

Kortom, de economische theorie heeft verbazend weinig te melden over economische groei: het ontstaan ervan kan niet verklaard worden en of groei nu goed of slecht is voor de welvaart, daar weet de theorie zo mogelijk nog minder van. Tieleman en zijn Rethinking Economics lijdt hier dus aan een overschatting van wat de theorie te zeggen heeft.

Met de (neoklassieke) economie kun je niet voorspellen

Dit probeerde de grote econoom John Maynard Keynes 75 jaar geleden al onze eigen Jan Tinbergen (1903-1994; vader van het CPB; Nobelprijs voor de economie in 1969) duidelijk te maken (tevergeefs, zie hier).

Geen enkele economische stroming genereert overigens betrouwbare voorspellingen. Waarom dat zo is, volgt eigenlijk vrij eenvoudig uit een vergelijking van de beweging van de economie met de beweging van de hemellichamen. Neem bijvoorbeeld een verschijnsel als de zonsverduistering. Er wordt voorspeld dat er in juli 2168 een totale zonsverduistering zal zijn gedurende 7 minuten en 29 seconden. Dat zal met een grote mate van nauwkeurigheid ook uitkomen, omdat de bewegingen van de hemellichamen goed voorspeld kunnen worden.

Voorspelt het nationaal inkomen
Bron: Chase Clark on Unsplash

Kijk nu eens naar de toekomst van de AOW. Het CPB voorspelt met enige regelmaat dat de AOW over, zeg 30 jaar, niet meer gefinancierd kan worden. Om deze voorspelling te kunnen doen, heb je minstens ook voorspellingen nodig van, achtereenvolgens, de stijging van het nationaal inkomen, de stijging van de AOW-uitkering en de samenstelling van de bevolking. Hoe de bevolking er over 30 jaar uit zal zien, kun je nog wel met enige mate van zekerheid voorspellen, hoewel de eerste de beste vluchtelingencrisis die voorspelling al onderuit kan halen. Voor de stijging van het nationaal inkomen is echter tovenarijkunst vereist. Het is al moeilijk het nationaal inkomen voor volgend jaar te voorspellen, laat staan voor over 30 jaar. De AOW-uitkering, tenslotte, is per definitie niet te voorspellen omdat die door beleidsmakers bepaald wordt. Als het CPB dan ook voorspelt dat de AOW niet meer betaalbaar zal zijn, is dat direct een uitnodiging aan de beleidsmakers om in te grijpen in de AOW.

Economische voorspellingen zijn daarom nooit neutraal, maar altijd politiek. Dat heeft verder weinig met stromingen in de economische theorie te maken. Desondanks is er in Nederland een groot vertrouwen in economische voorspellingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gezag dat het CPB heeft. Dat gaat zelfs zo ver dat politieke partijen aan het CPB vragen hun politieke programma’s ‘door te rekenen’. Het CPB berekent met behulp van een model wat de effecten van de beleidsvoorstellen zijn op de werkgelegenheid, de overheidsfinanciën, de inflatie, enzovoorts. Deze doorrekeningen hebben grote invloed op verkiezingscampagnes en misschien zelfs wel op de verkiezingsuitslag, maar het is onmogelijk om de voorspelde effecten van de beleidsvoorstellen later te vergelijken met de feitelijke effecten, zie hier.

Handhaaf de neoklassieke economie in het onderwijs

De (neoklassieke) economie is niets meer dan een stelsel van logische redeneringen, die kan worden toegepast op een groot aantal economische vraagstukken. Er is veel training voor nodig om, ten eerste, de techniek van de analyse te beheersen en, ten tweede, om de intuïtie achter de bereikte resultaten te doorgronden. Daarom moeten we de prominente positie van de neoklassieke economie in het academisch economisch onderwijs handhaven.

Andere benaderingen dan de neoklassieke zijn daarmee niet verboden. Voor zover ze in een half uur zijn samen te vatten (aldus Gautier) hoef je daar ook niet veel tijd voor in te ruimen. In tegenstelling overigens tot wat Rethinking Economics beweert, is er al een duidelijke alternatieve stroming in opkomst, namelijk de gedragseconomie. Die gaat echter ook uit van de neoklassieke theorie en gaat dan (vaak empirisch) na waar het individueel of collectief gedrag afwijkt van de neoklassieke aannames.

Andere ‘scholen’ die Tieleman graag op het economieprogramma wil hebben, baseren zich ook op de neoklassieke economie. De Oostenrijkse school, waar Tieleman ook zo graag meer van wil weten, is zelfs puur neoklassiek, maar dan zonder wiskunde en in een conservatief jasje. Als er een school is die alleen maar oog heeft voor “(…) een perfect werkende markt”, dan is het zeker de Oostenrijkse school. Dat is Tieleman kennelijk ontgaan, anders had hij deze school zeker niet op het economieprogramma willen hebben.

Bevolkingsgroei: goed of slecht voor de economie?

Volgens de ‘neo-klassieke’ economische groeitheorie van Solow (1956) is bevolkingsgroei goed voor groei. Hoe meer mensen er zijn, des te meer er gespaard wordt en des te meer geld beschikbaar is voor investeringen in kapitaal. Gooien we er dan ook nog een sausje ‘nieuwe groeitheorie’ overheen, volgens welke er in nieuw kapitaal nieuwe ideeën verwerkt zijn die de economie nog beter doen functioneren. Dan zal een snel groeiende bevolking de welvaart van iedereen nog meer doen toenemen. Hoe harder de bevolking groeit, des te meer kapitaal er geïnvesteerd wordt en dus ook des te meer nieuwe ideeën gebruikt kunnen worden. De economie en de welvaart zullen daardoor (des te harder) groeien. Dat is de theorie in een notendop, maar de ‘echte’ oude theorie, namelijk die van de klassieken in de 18e en 19e eeuw, dacht heel anders over de gevolgen van bevolkingsgroei. Bevolkingsgroei zou alleen maar leiden tot hongersnoden en massasterfte. “Bevolkingsgroei: goed of slecht voor de economie?” verder lezen

De EU wordt een transferunie

Toen Griekenland in 2010 problemen kreeg door een extreem hoge overheidsschuld, werd binnen de kortste keren een tijdelijk fonds opgericht, het ESM geheten, om de Griekse overheid van ‘zachte’ leningen te voorzien. De Europese Commissie wil dat fonds nu gaan uitbouwen tot een permanent fonds dat overdrachten geeft aan lidstaten in (tijdelijke) financiële en/of economische problemen. Daarmee zou de EU een transferunie worden die economische schokken voor lidstaten opvangt door tijdelijke leningen. De Nederlandse minister van financiën, Wopke Hoekstra, mobiliseerde een aantal kleinere lidstaten om zich tegen zo’n ‘schokfonds’ te verzetten. Het mocht niet baten: op 4 december 2018 besloten de EU-ministers van financiën tot de oprichting van dat fonds en dat fonds zal bovendien niet alleen tijdelijke schokken opvangen, maar rijke lidstaten van de EU zullen via dit fonds arme lidstaten permanent onderhouden. “De EU wordt een transferunie” verder lezen

Waarom groeit een economie?

In de eerste drie decennia na de Tweede Wereldoorlog beleefden de economieën in de vrije wereld een periode van continue en hoge economische groei. Deze groei was in de geschiedenis van de mensheid nog nooit zo hoog geweest. Na die periode vanaf zo ongeveer 1973 zou er ook niet meer zo’n hoge economische groei zijn in de Westerse wereld. Er zijn veel hypotheses in omloop voor de verklaring voor die hoge naoorlogse groei, bijvoorbeeld dat er na de oorlog een grote inhaalvraag was naar kapitaal en menskracht waardoor de economieën zichzelf uit het moeras van de naweeën van de oorlog konden trekken. Maar wat nu precies de oorzaak van de hoge groei was, wist en weet geen econoom. Is het niet vreemd dat de economische theorie geen antwoord had op de vraag wat er voor zorgt dat in de economie de productie groeit? Weet de economische theorie uit te leggen waarom er landen zijn waar er al decennia (zo niet eeuwen) haast geen economische groei voorkomt (Sierra Leone, Honduras, Zimbabwe, enz.)? En waarom in sommige landen opeens ‘groeiwonderen’ optreden (de Aziatische tijgers)? “Waarom groeit een economie?” verder lezen

Hoe economen redeneren III: waarom loonmatiging goed/slecht voor ons is

Bron: Loesje.nl

In Nederland is heel lang loonmatiging als een na te streven beleidsdoel beschouwd. De reden daarvoor ligt voornamelijk in een CPB model (voor de fijnproevers: het jaargangenmodel) uit de jaren 70. In dat model zat een mechanisme waarbij als de lonen stegen de werkloosheid toenam. Meerdere generaties economen en politici zijn met dit ‘geloof’ opgegroeid en hebben gedacht dat loonmatiging goed zou zijn voor de economie. Maar er kwamen allengs tegengeluiden en inmiddels is loonmatiging niet meer een in beton gegoten beleidsparadigma.

“Hoe economen redeneren III: waarom loonmatiging goed/slecht voor ons is” verder lezen

Hoe economen redeneren II: waarom vrij verkeer goed/slecht voor ons is

We weten nu dat economen in het publieke debat altijd gelijk hebben. De reden is dat door een juiste keuze van aannames vanzelf de conclusies volgen die de econoom graag trekt. In deze blog gaan we dat demonstreren aan de hand van het voorbeeld van vrij verkeer van werknemers in de EU, een van de grondbeginselen waarop de EU is gebaseerd. Het is niet moeilijk te bewijzen dat dit beginsel goed is voor ons allemaal, maar het bewijs dat vrij verkeer slechte effecten heeft, is ook niet moeilijk te overleggen. Laten we met het eerste bewijs beginnen.  “Hoe economen redeneren II: waarom vrij verkeer goed/slecht voor ons is” verder lezen