De verklaring van succes

Als je in de herfst van je leven bent aangekomen, wordt het tijd de rekening op te maken. Heb je wel genoeg gedaan om wat te bereiken in het leven? Of, omgekeerd, heb je niet te veel gedaan? Waren al die inspanningen wel nodig, gezien het uitblijven van grote successen? Misschien had je meer uren bij je gezin moeten doorbrengen, in plaats van te proberen dat geniale wetenschappelijke artikel te schrijven. Er kwam wel een artikel, maar dat leverde niet de grote doorbraak waar je op gehoopt had.

Anders Ericsson: de expert van expertise

Anders Ericsson Bron: psy.fsu.edu

Afgelopen zomer las ik in The New York Times dat Anders Ericsson, hoogleraar psychologie aan de Florida State University, was overleden. Ik had nooit van hem gehoord, maar de eerste zinnen van zijn necrologie trokken mijn aandacht. Ericsson had gedurende zijn academische loopbaan wetenschappelijk bewezen dat iedereen een schaakgrootmeester, een concertviolist of een Olympisch atleet kan worden. Als hij maar op de juiste manier traint en het doorzettingsvermogen heeft om veel noodzakelijke trainingsuren te maken.

Dat was een opmerkelijk resultaat en je kunt gerust sterven als je deze stelling op je naam hebt staan. Voor mijzelf was dit resultaat een soort spiegel. Ik heb mijn academisch leven grotendeels besteed aan één onderdeel van de economie, namelijk de publieke economie. Binnen dat op zich beperkte gebied deed ik van alles en nog wat. Ik deed fundamenteel onderzoek, meer toegepast onderzoek, bijdragen aan publieke discussies, stukjes in kranten.

Veel gerichte training leidt tot succes

Allemaal fout. Ericsson meende dat als je ergens echt heel goed in wilt worden, je daar helemaal op moet focusen. Het beste is om vanaf heel jonge leeftijd met oefeningen te beginnen. En dan moet je niet zo maar oefenen. Je moet ervoor zorgen dat iemand jou traint die weet welke trainingsmethoden tot het beste resultaat leiden. Ericsson noemde dit deliberate practice wat we zouden kunnen vertalen als ‘gerichte training’.

Voor een econoom komt zo’n advies vreemd over. Er is toch zoiets als afnemende productiviteit van inspanning? Economen denken dat vanaf een zeker moment extra inspanningen niet meer lonen. Je kunt dat vergelijken met een economie die na verloop van tijd niet meer groeit als je ‘te veel’ kapitaal investeert (zie hier). Maar dit terzijde.

Anita Elberse gaat voor blockbusters

Succes voor Anita Elberse
Bron: bol.com

Ericsson kende ik dus niet, maar van Anita Elberse had ik wel gehoord. Zij is in 1996 afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Nu heeft ze een vaste aanstelling als hoogleraar bij de Harvard Businesss School. Ze onderzoekt wat de strategie is van toppers in de entertainmentindustrie.

Haar recept lijkt op dat van Ericsson. Succes is in de meeste gevallen verzekerd als maatschappijen heel veel geld en tijd investeren in hun producten. Filmmaatschappijen, bijvoorbeeld, maken blockbusters, films waar topacteurs in spelen, waar de meest geavanceerde special effects in worden toegepast. Bij blockbusters wordt daarnaast een groot marketingbudget ingezet om de film te promoten. Zij heeft dit uitgebreid beschreven in haar gelijknamige boek blockbusters.

Het succes van Alex Ferguson

Alex Ferguson Bron: creativecommons.org

Een voorbeeld van het werk van Anita Elberse is een onderzoek naar het succes van coach Alex Ferguson bij Manchester United.  Ferguson had om vele redenen succes. Hij zorgde voor een goede jeugdopleiding en liet talent doorstromen naar het topteam. Bovendien hield hij altijd zelf de hand op de knoppen. Hij zorgde ervoor dat hij altijd de baas bleef, ook over zijn spelers. Revoltes tegen zijn beslissingen of zijn gezag, accepteerde hij niet. Toen in 2006 Ruud van Nistelrooy bezwaar maakte tegen zijn bankbeurten, werd hij ogenblikkelijk verkocht aan Real Madrid.

Natuurlijk was het zeer belangrijk voor topspelers om hard te werken. Ferguson vond dat hard werken alleen al een talent is. Hij verwachtte dat zijn sterspelers zelfs harden dan hard zouden werken. Dat deden ze dan ook. Daarom zijn zij sterren geworden: omdat zij bereid en in staat waren harder te werken dan ‘gewone’ voetballers.

De 10.000 uur regel 

Terug naar Ericsson. Een van zijn bekendste studies gaat over het verband tussen het aantal uren dat violisten studeren op hun instrument en de kwaliteit van de violisten. Begin jaren negentig voerde hij, met collega’s, dat onderzoek uit aan een Berlijnse muziekacademie met een grote reputatie. Met behulp van docenten aan deze academie werden studenten viool van rond de 20 jaar oud ingedeeld in matige, goede en topviolisten. Alle violisten in de drie groepen werd vervolgens gevraagd hoeveel uur ze inmiddels met hun instrument hadden gestudeerd.

Wat bleek was dat de toptalenten over hun hele leven ongeveer 10.000 uur hadden gestudeerd, terwijl de goede violisten tot ongeveer 8.000 uur kwamen en de matige violisten niet verder kwamen dan 4.000 uur. Opvallend was verder dat er geen enkele topviolist was bij wie de virtuositeit was komen aanwaaien. Zij moesten er hard voor werken. Kortom, als je muzikaal talent hebt (alle studenten aan de Berlijnse muziekacademie moesten talent hebben om te worden aangenomen), kun je alleen maar de top bereiken door veel tijd in het oefenen op je instrument te steken.

Malcolm Gladwell: niet alleen 10.000 uur geeft succes

Malcolm Gladwell Bron: comons.wikimedia.org

Dit opmerkelijke resultaat is gepopulariseerd door de Amerikaanse/Canadese schrijver Malcolm Gladwell in zijn vermakelijke boek Outliers. Gladwell vraagt zich ongeveer hetzelfde af als Ericsson. Hoe komt het dat sommige mensen zoveel succes hebben en anderen niet? Eén element is de net besproken 10.000 uur-regel.

Maar dat is niet alles: je moet ook op het juiste moment op de juiste plaats zijn. Waarom bijvoorbeeld werden zoveel Amerikanen in het midden van de 19e eeuw superrijk? Omdat de Amerikaanse economie toen de grootste transformatie van zijn geschiedenis doormaakte. De weg naar het Westen werd opengelegd door de ontwikkeling van de spoorwegen. Met de aanleg van spoorwegen waren fortuinen te verdienen en slimme en ondernemende ‘durfinvesteerders’ sprongen daarin door in de juiste industrie te investeren: olie (Rockefeller), staal (Carnegie) en natuurlijk de spoorwegen zelf (Vanderbilt).

Talent, hard werken en geluk

Talent, hard werken en geluk, dat zijn dus de ingrediënten voor succes. Geluk, dat wil bijvoorbeeld zeggen dat je op het juiste moment geboren moet zijn (zie het voorbeeld van de spoorwegen in de VS), maar ook dat je in het juiste milieu moet zijn geboren, dat je ouders je geleerd hebben sociaal vaardig te zijn, enzovoorts. Als dat allemaal opgaat, kun je de nieuwe Michael Jordan, de nieuwe Messi, de nieuwe Bill Gates, of de nieuwe Albert Einstein worden.

Dat klinkt overtuigend, en ik kan me zo voorstellen dat je bij alle succesvolle mensen kunt aanwijzen wat hen zo succesvol maakte. Bij talentvolle mensen die toch geen succes kennen in hun leven, kun je de factoren afstrepen die ervoor gezorgd hebben dat deze mensen faalden. Dat doet Oliver Gladwell in Outliers.

Gefaalde en geslaagde genieën

Zo is daar het verhaal van Chris Langan met een uitzonderlijk hoog IQ van 195, maar die eindigt als uitsmijter in een bar. Het ontbreekt hem aan ‘praktische intelligentie’ waardoor hij bij topopleidingen – waar hij geschikt voor zou zijn – keer op keer wordt afgewezen.

Malcolm Gladwell vergelijkt het tragische levensverhaal van Chris Langan met het levensverhaal van Robert Oppenheimer. Robert Oppenheimer was ook gezegend met een uitzonderlijk hoog IQ, maar in tegenstelling tot Chris Langan was hij wel succesvol.

Robert Oppenheimer Bron: commons.wikimedia.org

Robert Oppenheimer is wereldberoemd geworden als leider van het Manhattan project dat in WWII in het diepste geheim de atoombom ontwikkelde. Hij was geboren in een rijk gezin, waar ‘praktische intelligentie’ met de paplezing werd ingegoten. Die praktische intelligentie had hij nodig ook: twee keer in zijn leven moest hij zich verweren tegen een aanklacht wegens een moordpoging. Hij had gepoogd een mentor die hem niet aanstond te vergiftigen. Hij kwam er ongeschonden uit. Zo wist hij zich ook het Manhattan-project in te praten, hoewel hij eigenlijk praktisch labwerk haatte.

Het verschil tussen de Major League en de Minor League

honkbal in de MLB Bron: Joshua Peacock on Unsplash

Er is meer. Kijk eens naar de honkbalcompetitie in de VS. De spelers in de Major League verdienen al gauw minstens 10 miljoen dollar per jaar in een sport die een fitte speler wel twintig jaar lang kan beoefenen. In de Minor League, echter, het niveau net onder de Major League moeten de meeste spelers rond zien te komen van een minimumloon. Wie wel eens een wedstrijd in de Minor League heeft gezien, weet dat het niveau daar niet zo heel veel onderdoet voor het niveau van de Major League.

Hoe komt het dat de topspelers in het Amerikaanse honkbal zo veel meer verdienen dan de iets mindere spelers van de Minor League? Het komt omdat (bijna) iedereen liever naar een Major League wedstrijd kijkt dan naar een wedstrijd in de Minor League.

Sherwin Rosen: de economie van supersterren

De econoom Sherwin Rosen gaf in 1982 dit antwoord in het artikel the economics of superstars. Het idee van dat artikel is ongeveer het volgende. Stel je voor dat je als honkballiefhebber naar een leuke honkbalwedstrijd wilt kijken. Op de televisie kun je kiezen uit wedstrijden uit de Major league of uit de Minor League. Hoewel de kwaliteit van het spel in de Minor League niet veel onderdoet voor de kwaliteit van het spel in de Major league, kies je toch voor een wedstrijd uit de Major League. Die keuze zal iedereen maken en dus kijkt er (vrijwel) niemand naar wedstrijden uit de Minor League. De televisieopbrengst voor wedstrijden uit de Minor League is dan ook laag en dit verklaart waarom de spelers in de Minor League zo weinig verdienen.

Er zijn dus twee belangrijke kenmerken. Ten eerste, het aantal spelers dat een plaats kan krijgen in de Major league is beperkt en er komen dus ook getalenteerde spelers in de Minor League terecht. Ten tweede, hoewel de kwaliteit van de Major league maar ietsjes hoger is dan de kwaliteit van de Minor League, krijgt de Major league toch alle aandacht en publiciteit. De Minor League moet het met kruimeltjes doen.

The winner takes it all

Dit is het bekende winner-takes-all principe dat in diverse onderdelen van de economie opgeld doet. Keren we bijvoorbeeld weer eens terug naar de topviolisten van Ericsson. Zij hadden allemaal minstens 10.000 uur repeteertijd op hun conto staan. Let wel, zij waren nog studenten, geen gearriveerde violisten. De vraag is, zullen zij allemaal een plaats in een toporkest kunnen krijgen. Het antwoord lijkt me: nee, er zijn veel meer topviolisten dan er toporkesten zijn.

Wat gebeurt er met een topviolist in de dop die weet dat hij/zij misschien nooit een toporkest gaat halen? Die gaat misschien wel minder repeteren en wordt dan dus wel een goede maar niet een topviolist. Je moet erg van jezelf overtuigd zijn om zoveel tijd in je hobby te steken. Als je missie faalt en je bijvoorbeeld gedwongen bent muziekdocent te worden, heb je inefficiënt veel tijd in je vioolstudie gestoken. Helaas was je zelfvertrouwen gebaseerd op zelfoverschatting.

Je kunt alleen winnen als je erin gelooft

We kunnen dus een (over)grote dosis aan zelfvertrouwen toevoegen aan de lijst van verklarende factoren voor succes. Zelfvertrouwen is echter geen garantie voor succes. De 10.000 uur regel blijkt dus opnieuw niet voldoende te zijn voor succes, hoewel natuurlijk wel noodzakelijk.

De 10.000 uur regel is dus geen betrouwbare voorspeller voor succes. Keren we weer terug naar Anita Elberse. Zij zei in een interview: “Als jij mij nu een lijst geeft van honderd beginnende artiesten, dan denk ik wel dat ik beter dan de gemiddelde Nederlander kan voorspellen wie er succesvol wordt, ja.” Gaan wij dat geloven? Nou, nee. Als die honderd artiesten zouden weten welke strategie de toppers van Elberse beroemd maakte, kunnen ze die strategie allemaal toepassen. Ze kunnen echter niet allemaal succesvol worden, succes is er immers alleen voor de enkeling. The winner takes it all, the loser standing small, om maar eens een succesvol schrijversduo uit het verleden te citeren.

Wat doen we voor onze onplaatsbare medemens? (bijstand, basisinkomen, basisbaan of basis-uitzendbureau)

Het is een soort economische wet dat mensen betaald worden naar hun productiviteit. Mensen met een productiviteit lager dan het minimumloon, werden door voormalig politicus Marcel van Dam tien jaar geleden ‘onrendabelen’ genoemd. Deze onrendabelen (we gebruiken vanaf nu de wat vriendelijker term ‘onplaatsbaren’) zijn ongeschikt voor de arbeidsmarkt: zonder ingrijpen van de overheid met geld en/of regels zullen deze mensen nooit een baan krijgen. Wat moet de overheid voor de onplaatsbaren doen? Recent kwam de Wrr met een (overigens niet helemaal) nieuw idee: de basisbaan. Gaat dit werken? Een tocht langs vele pogingen onplaatsbaren te plaatsen.

Het minimumloon maakt 300.000 mensen onplaatsbaar

Bron: commons.wikimedia.org

Laten we eerst nagaan hoeveel mensen geen plek kunnen vinden op de arbeidsmarkt. Het gaat om mensen met een productiviteit die lager is dan wat met het minimumloon overeenkomt. Geen enkele baas wil die mensen in dienst nemen, want dat levert hem een verlies op. Deze mensen komen dan – onder bepaalde voorwaarden – in de bijstand terecht. Zij ontvangen een minimumuitkering, maar worden toch – volgens de regels – geacht te blijven zoeken naar een baan. Die gaan ze echter niet vinden. Zij zullen daarom naar verwachting lang in de bijstand blijven.

Om een idee te krijgen van het aantal onplaatsbaren in Nederland, kunnen we nagaan hoeveel mensen langdurig een bijstandsuitkering ontvangen. Dat zijn er volgens het CBS ruim 300.000. Dat kan een onderschatting zijn omdat de partner van degene die bijstand ontvangt dan waarschijnlijk ook weinig toegang heeft tot de arbeidsmarkt. Er zijn ook mensen met een ‘normale’ baan die een partner hebben zonder uitkering, maar ook zonder toegang tot de arbeidsmarkt. Het getal van 300.000 kan echter ook een overschatting zijn, omdat zelfs mensen die lang in de bijstand hebben gezeten soms toch een baan vinden en dus de bijstand weer verlaten.

Uit de gegevens van het CBS blijkt ook dat van de mensen zonder migratie-achtergrond (zeg maar autochtone Nederlanders) nog geen 0,2% langdurig bijstand ontvangt. Van de mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond (zeg maar allochtonen) ontvangt ongeveer 12% langdurig bijstand. Dat duidt er niet op dat deze allochtonen allemaal onrendabel zijn; het lijkt er eerder op dat zij zich niet of niet voldoende geschikt maken voor de arbeidsmarkt (slechte beheersing van de Nederlandse taal, slechte werkethiek, ed.), of dat potentiële werkgevers deze mensen op grond van een vooroordeel niet geschikt voor een baan vinden.

Het getal van 300.000 onplaatsbaren is dus niet erg hard, ook omdat capaciteit en gedrag hier (maar eigenlijk: zoals altijd) door elkaar lopen. Sommige ‘onplaatsbaren’ zouden misschien best geschikt kunnen zijn voor een gewone baan op de arbeidsmarkt, maar doen zich voor als onrendabel omdat zij het wel prettig vinden om buiten het stramien van een arbeidsleven te blijven. Maar zelfs als er maar 200.000 onplaatsbaren zouden zijn, is dat toch een substantieel aantal. Per jaar kosten deze onplaatsbaren de overheid ongeveer 2,5 tot 3 miljard euro aan bijstand. Het is dus best de moeite waard te proberen onplaatsbaren weer rendabel te maken.

Melkert-banen hebben niet tot reguliere banen geleid

Bron: commons.wikimeida.org (PvdA Poster, Ad Melkert)

Er zijn al diverse pogingen gedaan om mensen ‘met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’ – zoals dat officieel heet – aan een betaalde baan te helpen. Een van de meest in het oog springende pogingen van de afgelopen drie decennia waren de zogenaamde Melkert-banen, die in 1994 werden ingevoerd. Dit waren gesubsidieerde banen en, omdat er geen concurrentie met bestaande banen mocht zijn, waren het allemaal nieuw gecreëerde banen. Die banen werden vaak ingevoerd bij semi-publieke instellingen zoals scholen, bejaardenhuizen, enz. Het idee was dat als mensen een tijd in een gesubsidieerde baan zouden werken, zij op een gegeven moment door de ervaring die zij opdeden en door het wennen aan het werkritme, vanzelf geschikt zouden worden voor een reguliere niet gesubsidieerde baan.

Binnen twee jaar na de start van de Melkert-banen verschenen er echter al berichten dat de doorstroming van de zogenoemde ‘Melketiers’ te wensen overliet. De doorstroming was slechts 10%, zo meldde De Volkskrant in 1996. Latere berekeningen wezen uit dat de doorstroming eerder in de buurt van 5% dan in buurt van de 10% zat. Dat zou kunnen bewijzen dat de onplaatsbaren ‘echt’ onrendabel zijn: werkgevers hebben er geen vertrouwen in dat Melketiers zonder verlies in hun bedrijf kunnen worden ingezet. De vraag is natuurlijk hoe de werkgevers dat kunnen weten. Misschien weten ze dat helemaal niet, maar gaan ze ervan uit dat iemand die in een Melkertbaan heeft gewerkt (dus met subsidie) vast en zeker niet rendabel kan zijn. Als iemand voor een Melkertbaan kiest, is dat voor een werkgever een signaal dat die persoon zichzelf ongeschikt acht voor een reguliere baan.

Werkt loonkostensubsidie beter?

Misschien was het probleem van de Melkert-banen wel dat het nieuw gecreëerde banen moesten zijn. Er mocht immers geen verdringing bij bestaande banen plaats vinden. De angst was dat werkgevers Melketiers in plaats van ‘gewone’ werknemers zouden inzetten; die Melketiers waren immers goedkoper door de subsidie. Als je er even nadenkt, concludeer je dat de beleidsmakers hier een denkfout maakten. Gewone werknemers in banen op of boven het minimumloon zijn immers hun loon waard, Melketiers zijn dat loon niet waard: zonder subsidie zou de werkgever verlies lijden op een Melketier. Dankzij de subsidie die de werkgever krijgt op het minimumloon zijn de Melketiers precies het loon waard. Ofte wel, een Melketier is voor de werkgever niet goedkoper dan een reguliere werknemer. Verdringing ligt niet voor de hand als een Melketier niet goedkoper is dan een niet gesubsidieerde werknemer op het minimum.

Waarom dan niet alleen een subsidie gegeven en verder gezwegen over mogelijke verdringing? Omdat er in de voorgaande alinea toch iets fout gaat. Er wordt namelijk aangenomen dat alle onplaatsbaren even onrendabel zijn, maar dat is natuurlijk niet waar. Sommige mensen kunnen bijna niets en anderen zitten heel dichtbij de productiviteit die het minimumloon veronderstelt. Dus eigenlijk zou iedere onrendabele een andere subsidie moeten krijgen, afhankelijk van zijn of haar productiviteit.

En daar ontstaat een nieuw probleem, want hoe bepaal je de productiviteit van iemand. Daar is geen duidelijk recept voor. Bovendien kan het voor iemand wiens productiviteit gemeten moet worden, voordelig zijn als die productiviteit zo laag mogelijk wordt ingeschat. Bij een lage productiviteit volgt er een hoge loonkostensubsidie, maar dat betekent ook dat de werkgever geen al te hoge eisen aan de werknemer in spe kan eisen: zijn (of haar) productiviteit is immers laag. Dat is op langere termijn ongunstig voor de laagbetaalde, want een hoge loonkostensubsidie kan door de werkgever worden opgevat als een signaal dat de laagbetaalde niet geschikt is voor een reguliere baan. Een hoge loonkostensubsidie betekent dus indirect dat de doorstroom naar ‘normaal’ betaald werk uitblijft. 

Het basisinkomen durft niemand aan, ….

Een alternatief dat al heel lang in de Nederlandse discussie rondwaart, is het basisinkomen. De opzet van het basisinkomen is om iedereen vanaf 18 jaar simpelweg een onvoorwaardelijk minimuminkomen te geven. Voor mensen die werk niet als een noodzakelijke levensvervulling zien, zal dit inkomen voldoende zijn om in het levensonderhoud te voorzien. Mensen die werk zien als een vorm van zelfrespect en een bron van sociale contacten, zullen juist met het basisinkomen op zak, veel eenvoudiger aan werk kunnen komen dan zonder een basisinkomen het geval zou zijn. Werkgevers mogen het basisinkomen immers beschouwen als een soort franchise waar bovenop de werkgever het inkomen aanvult. Vooral voor mensen met een productiviteit rond het minimuminkomen zullen de loonkosten voor de werkgevers daarom zeer laag zijn en zal de vraag naar deze werknemers sterk kunnen toenemen.

Bron: basisinkomen.nl

Het basisinkomen lost dus direct het probleem voor de onplaatsbaren op. Het minimumloon bestaat niet meer en voor de werkgever zijn zelfs de onplaatsbaren winstgevend. Toch durven maar weinig mensen het basisinkomen van harte aan te bevelen. Integendeel, velen raden de invoering van het basisinkomen af. Er zijn veel redenen voor, we noemen er hier twee.

… want de effecten zijn onzeker

De eerste reden is de angst dat onder het basisinkomen veel meer mensen dan verwacht besluiten zich niet op de arbeidsmarkt te melden. Het eigenaardige is dat er veel wordt beweerd dat een baan voor iedereen noodzakelijk is om aan het leven structuur en zin te geven, maar dat men kennelijk toch vreest dat veel mensen dat niet vinden. Dat laatste zou dan wel weer in overeenstemming zijn met de micro-economische theorie die ervan uitgaat dat mensen werk als een disutility beschouwen. Ofte wel, als er een mogelijkheid is werk te vermijden, zal men dat doen. Het basisinkomen biedt juist die mogelijkheid.

Er is dus een grote onzekerheid over de gedragseffecten van een basisinkomen. Daarom wordt er vaak aangenomen dat er geen gedragseffecten zijn van de invoering van het basisinkomen. Je kunt dan rechttoe rechtaan uitrekenen hoeveel de invoering van het basisinkomen netto kost. In 1982 deden de economen C. de Kam en P. de Graaf dat al in het economenblad ESB (alleen voor abonnees). Volgens hun berekening zou de invoering van het basisinkomen 35 miljard gulden gaan kosten. Zij noemen de invoering van het basisinkomen daarom een utopisch plan. In 2016 deden Alfred Kleinkecht c.s. die berekening nog eens over in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Zij komen uit op een bedrag van 107 miljard euro. Daarmee hebben we dan de tweede reden waarom velen de invoering van het basisinkomen ontraden. De extra uitgaven zijn zo hoog dat de financiering ervan tot grote verstoringen van de economie moeten leiden.  

Melkertbanen worden Muyskenbanen, …

Een loonkostensubsidie zal dus niet helpen laagbetaalde onplaatsbaren aan een reguliere baan te helpen. Werken met behoud van (een deel van de) uitkering – ook wel eens geopperd als remedie voor de onplaatsbaren – is een impliciete loonkostensubsidie. Daarbij krijgt de onplaatsbare geen of een laag loon, maar mag hij/zij de uitkering behouden. Een basisinkomen is in feite ook een subsidie, maar dan een subsidie die iedereen krijgt. Daarom gaat van een basisinkomen, anders dan bij een loonkostensubsidie, niet het signaal uit dat iemand zichzelf eigenlijk onplaatsbaar vindt. Het budgettaire risico van een basisinkomen (voor iedereen) is echter erg groot.

Foto: Ad Huikeshoven – Eigen werk, CC BY-SA 3.0

Dan keren we weer terug naar de Melkertbanen, speciaal gecreëerde banen die zowel voor de laagbetaalden met weinig kans op een reguliere baan als voor de maatschappij nuttig zijn. Maar anders dan bij de Melkertbanen is er geen sprake van een subsidie. Met dit voorstel kwam de Wrr in januari jl. op de proppen. Dat idee was overigens niet van de Wrr zelf. De Maastrichtse hoogleraar Joan Muysken kwam in 2010 met dit voorstel (zie het artikel van Klosse en Muysken op de economenwebiste Me Judice).

 … maar we noemen ze nu basisbanen

Muysken noemde zijn ‘Muyskenbanen’ (bescheiden als hij is) basisbanen. Het uitgangspunt van de basisbanen is dat het een taak van de overheid is voor iedereen volwaardig en zinvol werk te garanderen. Dat betekent dat de overheid de plicht heeft om met name de onplaatsbaren een arbeidsovereenkomst tegen het minimumloon aan te bieden. Deze plicht wordt bij de gemeenten neergelegd die nu ook al verantwoordelijk zijn voor de reïntegratie van langdurig werkelozen.

Het idee van de basisbaan leidt direct al tot een aantal problemen. Ten eerste, als de gemeente de plicht heeft basisbanen te creëren, heeft de onplaatsbare dan de plicht zo’n basisbaan te accepteren? Mag de onplaatsbare ook thuis blijven zitten? Aangezien Muysken de basisbaan een ‘garantie op een zinvolle baan’ noemt, lijkt hier sprake te zijn van vrijwilligheid – vrijwilligerswerk kan bij Muysken overigens ook als een basisbaan gelden. Als de onplaatsbare niet geplaatst wil worden, hoeft dat ook niet. De gemeente kan dan potentieel met een hele serie aan niet vervulde zinvolle maatschappelijke taken komen te zitten.

Maar, als de onplaatsbare de taken niet wil vervullen, mag dan iemand die productief genoeg is voor werk op minimumniveau die banen vervullen? Voor een plaatsbare kan een basisbaan aantrekkelijk zijn: aangezien een basisbaan wordt ingericht voor een onplaatsbare, zullen de eisen die aan zo’n baan gesteld kunnen worden minder zijn dan voor een reguliere baan. Er wordt een minimumloon betaald, maar de productiviteit die verwacht wordt is minder dan het minimumloon. Dat wordt dus een baan zonder stress voor een plaatsbare.

Misschien willen wel heel veel mensen een basisbaan

Maar dat leidt dan weer tot andere problemen. Als mensen die productief zijn op het niveau van het minimumloon een basisbaan mogen vervullen, kan er wel eens heel veel belangstelling zijn voor de basisbanen. Die belangstelling komt van mensen in reguliere banen op of misschien iets boven het minimumniveau. Deze banen lopen dus leeg. De gemeente zou dat kunnen voorkomen door alleen onplaatsbaren toe te laten voor de basisbanen. Dat betekent dan weer dat het voor veel mensen interessant kan worden om zich als onplaatsbare voor te doen om op die wijze in aanmerking te komen voor een relaxte baan.

Kortom, de basisbaan kan een aanzuigende werking hebben. In plaats van 300.000 onplaatsbaren – die wij eerder hadden geteld – krijgen we misschien wel twee miljoen onplaatsbaren, of nog meer. Overigens was Muysken bij zijn telling op twee miljoen onplaatsbaren uitgekomen. Hij rekende ook mensen zonder baan mee die misschien wel willen werken, maar geen uitkering krijgen. Dat kost de overheid dan bruto 40 miljard euro.

Is het erg dat mensen die plaatsbaar zijn zich voordoen als onplaatsbaar? Ja, dat is erg want dat betekent dat voor veel meer mensen een reguliere baan uit het zicht raakt. Door zich als onplaatsbaar voor te doen, plakken mensen zich direct het etiket ‘ongeschikt voor een reguliere baan’ op. Veel laag betaald werk dat in de particuliere sector door mensen met een productiviteit op of net iets boven het minimumloon wordt gedaan, kan dan niet meer gedaan worden. De mensen die dat zouden kunnen doen zijn naar een baan voor een onplaatsbare vertrokken.

Basisbanen zijn een variant op de Sociale WerkVoorziening (SWV)

Hoewel de gemeenten de werkgevers zijn van de basisbanen, mogen de onplaatsbaren ook binnen de private sector te werk gesteld worden. Dan begint deze constructie dus erg te lijken op de vroegere sociale werkvoorziening, (SWV), die dezelfde constructie kent. Bij de SWV werden eenvoudige werkzaamheden op bestelling uitgevoerd. Dit betrof bijvoorbeeld inpakwerk van snoep, eenvoudige houtbewerking, enz. Deze voorziening is echter in een sterfhuisconstructie terecht gekomen omdat er geen nieuwe mensen meer mogen worden aangenomen (zie SCP).

De SWV is op termijn afgeschaft omdat de mensen die bij de SWV werkten niet doorstroomden naar een reguliere baan. We weten nu inmiddels dat dit ook niet verwacht had mogen worden. De onplaatsbaren vonden hier beschutting bij de SWV en maakten zich ook nog voor een deel productief.

De afschaffing van de SWV maakt malafide zorgondernemers rijk

Na het afschaffen van de SWV is er voor deze mensen geen bescherming meer. Uiteraard laat onze beschaafde maatschappij deze mensen niet aan hun lot over en moeten de gemeenten deze ‘cliënten’ een vorm van dagbesteding aanbieden. Hier zien we hoe de logica van het beleidsdenken een bezuinigingsmaatregel (“de SWV werkt niet, dus afschaffen”) in zijn tegendeel doet verkeren.

Want in plaats van deels productief te zijn bij de SWV, gaan deze mensen als dagbesteding op een zorgboerderij of bij een motorbedrijf aan de slag. Deze bedrijven betalen niet aan de overheid, zoals bij de SWV het geval zou zijn. Nee, de overheid betaalt aan deze bedrijven, want het werk dat de cliënten doen wordt niet meer als werk beschouwd. Zij krijgen zorg. Het is een prachtig verdienmodel voor malafide types die zelfs in staat zijn dagbesteding te verlenen in de hennepteelt (zie hier).

Terug naar de SWV, maar noem het basisuitzendbureau

Kortom, het is tijd dat we de de SWV weer optuigen, maar we gaan die nu het BasisUitzendBureau (BUB) noemen. De BUB wordt gefinancierd door de rijksoverheid. Overal in het land gaan we BUBs oprichten waar de overheid (rijk en lagere overheden) mensen kan inhuren. Uiteraard niet voor een minimumloon, maar voor een bedrag dat overeenkomt met de ‘loonwaarde’ van de betrokken mensen. Daar doen we niet moeilijk over: we zetten voor iedereen de loonwaarde laag. We doen ook niet moeilijk over een beetje marktwerking. In tegenstelling tot bij de zorg kunnen we bij het plaatsen van de onplaatsbaren best wel een beetje marktwerking invoeren.  Ook marktbedrijven mogen een beroep doen op medewerkers bij de BUB. Deze BUB-ers kunnen voor langere of voor kortere tijd uitgezonden worden naar zo’n marktbedrijf, bijvoorbeeld om daar inpakker te worden.

Deelname aan de BUB wordt verplicht voor een onplaatsbare, maar het moet mogelijk zijn de werktijd te besteden aan vrijwilligerswerk. Daarvoor moet dan wel toestemming zijn van de directeur van de BUB. Bovendien word je alleen tot de BUB toegelaten na minstens twee jaar in de bijstand te hebben gezeten .

De aanzuigende werking van een BUB-plaats zal wel meevallen. Als je op een BUB geplaatst wordt, kun je allerlei soorten werk verwachten, zoals snoepjes inpakken, concierge-activiteiten op een school, ramen lappen, mestkuilen leeg halen, enz. Ook al ligt het tempo van een BUB-klus laag, het is toch, door het soms commerciële karakter, minder gericht op maatschappelijk nuttig werk. en daarom minder aanzuigend.

Kortom, voer zo snel mogelijk voor het heil van onze onplaatsbaren en ter voorkoming van het verder binnendringen van de criminaliteit in dagbestedingsactiviteiten de BUB in.

Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren

De AOW-leeftijd van 65 jaar was lange tijd onwrikbaar in Nederland. De eerste kras kwam in het begin van de jaren 80 met de vervroegde-uittredingsregelingen (VUT). Hierdoor konden veel mensen al rond hun 60e jaar met pensioen. Maar 10 jaar geleden begon de slinger de andere kant op te zwaaien: voor jongeren is nu de verwachte AOW-leeftijd 71 jaar, of hoger. De huidige ouderen gaan al veel later met pensioen dan 10 jaar geleden, maar veel ouderen die werkeloos zijn geworden kunnen nauwelijks een nieuwe baan vinden. Mensen in zware beroepen, daarentegen, hebben moeite gezond de pensioenleeftijd te halen. Het lijkt aannemelijk dat deze verschijnselen (hoge werkloosheid onder ouderen, problemen voor ouderen in zware beroepen) met de hogere AOW-leeftijd te maken hebben. Een basisinkomen voor ouderen dat op 65-jarige leeftijd begint, zou een beter alternatief zijn dan het voortdurend verhogen van de AOW-leeftijd en zou, als het meezit, zelfs geld kunnen opbrengen. “Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren” verder lezen

Moeten we langer en harder werken?

Bron: argumentenfabriek.nl

Volgens Frank Kalshoven moeten wij Nederlanders meer gaan werken, meer uren maken, jonger beginnen met werken en veel later met pensioen gaan. In De Volkskrant van 24 mei 2014 zei hij dat de cao’s weer uit moeten gaan van een 60-urige werkweek. Letterlijk zei hij: “De economische groei zal omhoog gestuwd worden door meer uren te werken en meer te investeren, vooral in menselijk kapitaal.”  Economische groei bereik je volgens Kalshoven eenvoudig door zowel slimmer als harder te werken. Is dat zo?

“Moeten we langer en harder werken?” verder lezen

Hoe economen redeneren III: waarom loonmatiging goed/slecht voor ons is

Bron: Loesje.nl

In Nederland is heel lang loonmatiging als een na te streven beleidsdoel beschouwd. De reden daarvoor ligt voornamelijk in een CPB model (voor de fijnproevers: het jaargangenmodel) uit de jaren 70. In dat model zat een mechanisme waarbij als de lonen stegen de werkloosheid toenam. Meerdere generaties economen en politici zijn met dit ‘geloof’ opgegroeid en hebben gedacht dat loonmatiging goed zou zijn voor de economie. Maar er kwamen allengs tegengeluiden en inmiddels is loonmatiging niet meer een in beton gegoten beleidsparadigma.

“Hoe economen redeneren III: waarom loonmatiging goed/slecht voor ons is” verder lezen