De falende woningmarkt is te genezen

Als op ‘de’ markt de vraag naar een product groter wordt, zal de prijs stijgen of het aanbod toenemen. Op de woningmarkt hoeft dat niet zo te werken. In de sociale-huursector gebeurt soms geen van beide. Het gevolg kan zijn dat er ellenlange wachttijden kunnen ontstaan voor aantrekkelijke woningen.

Op de particuliere koopmarkt reageert de prijs wel, maar het aanbod zelden op de vraag. Het gevolg is dat er prijsexplosies kunnen optreden die zo hevig zijn dat het op een gegeven ogenblik voor niemand meer mogelijk en/of aantrekkelijk is om een woning te kopen. Dan klapt de markt in elkaar en zijn de huizenbezitters die op het toppunt van de markt gekocht hebben, de grote verliezers.

Insiders en outsiders op de koopmarkt

dakloze ter illustratie van outsiders op de woningmarkt
Daklozen zijn ook outsiders,
bron: unsplash.com

Die prijsexplosie op de woningmarkt is er nu al een beetje. Dat blijkt omdat mensen die als nieuwkomer op de woningmarkt een woning zoeken, grote moeite kunnen hebben een geschikte en betaalbare woning te vinden. Met een inkomen van ongeveer 45.000 euro, geven banken op dit moment – door regelgeving van de rijksoverheid – een hypotheek waar in sommige delen van het land geen woning voor te koop is. Zij zijn outsiders op de koopmarkt. Als de prijsexplosie doorzet zullen nieuwkomers met hogere inkomens op een gegeven moment ook de koopmarkt niet meer op kunnen gaan.

De insiders – zij die al een koopwoning bezitten – zijn de spekkopers. Zij zien hun vermogen groeien zonder dat ze er wat voor hoeven te doen. Tenminste, zolang koopwoningen voor een voldoende groot aantal mensen betaalbaar blijven. Als dat niet meer zo is, zal – zie boven – de markt inklappen en worden sommige insiders alsnog outsiders.

Insiders en outsiders in de sociale-huursector

De outsiders op de koopmarkt zijn ook outsiders bij de sociale huur. De mensen met de laagste inkomens (ofte wel de doelgroep, dat zijn huishoudens met een inkomen tot ongeveer 39.000 euro) hebben toegang tot de sociale-huursector. Mensen met een  inkomen rond 45.000 hebben in beginsel geen toegang. Voor hen geldt dus dat voor een (goedkope) woning in de sociale-huursector haar (of zijn) inkomen te hoog is, maar voor het verkrijgen van een voldoende hypotheek, haar inkomen te laag is. Voor haar blijft de particuliere huursector over, maar daar zijn de huren zo hoog dat die een onevenredig groot deel van haar inkomen zullen gaan opslokken.

Mensen die voor de sociale-huursector in aanmerking kwamen, omdat hun inkomen laag was, maar er in inkomen op vooruit zijn gegaan, zijn de insiders van deze sector. Zij kunnen blijven ‘scheefwonen’ in een woning waar ze in verhouding weinig huur voor hoeven te betalen. Ze zijn in staat te sparen tot ze genoeg hebben om een dure koopwoning aan te schaffen.  

Woningcorporaties in de sociale huursector

De sociale-huursector wordt grotendeels verzorgd door de woningcorporaties die woningen met lage huren in hun bezit hebben. Deze woningcorporaties vinden hun oorsprong in de Woningwet van 1901 waarin voorzien wordt in leningen aan gemeentelijke woningbouwverenigingen. Deze woningbouwverenigingen (nu alleen nog maar corporaties genoemd) hadden tot taak betaalbare en leefbare woningen te bouwen voor de allerarmsten. In de loop van ruim honderd jaar hebben deze corporaties miljoenen sociale woningen gebouwd.

Ongeveer 32% van de Nederlandse woningvoorraad bestaat inmiddels uit sociale huurwoningen (zie CPB). De gevraagde huren zijn in de regel niet ‘marktconform’, maar liggen onder de huren die particuliere verhuurders voor analoge woningen vragen. De huren in de sociale-huursector bedragen minder dan 700 euro per maand en kunnen voor de allergoedkoopste huurwoningen zelfs minder dan 400 euro zijn. Corporaties zijn niet vrij om zelfstandig de huren te bepalen, maar moeten zich houden aan de regels van de rijksoverheid.

Lage huren

De huren in de sociale sector worden ‘kunstmatig’ laag gehouden en weerspiegelen daarom niet (volledig) de kwaliteit van de woningen. Woningen van een hogere kwaliteit kunnen in beginsel toch voor dezelfde prijs verhuurd worden als woningen van mindere kwaliteit binnen dezelfde gemeente. Als gevolg daarvan zal er ‘te’ veel vraag zijn naar de woningen met hoge kwaliteit en ‘te’ weinig vraag naar woningen met lage kwaliteit.

De corporaties dienen met gemeenten afspraken te maken over nieuwbouw, huurprijzen en over de manier waarop woningen worden toegewezen aan woningzoekers. De corporaties opereren dus lokaal, maar moeten wel voldoen aan landelijke wetten. Een belangrijke verplichting voor woningcorporaties is dat 80% van de woningen moet worden toegewezen aan mensen met de laagste inkomens. 10% van de woningen mag aan huishoudens met een inkomens tot maximaal 41.000 euro worden toegewezen. De rest (10%) mag aan mensen met hogere inkomens worden toegewezen, maar dit mag niet ten koste gaan van huishoudens die met een hoge urgentie een huurhuis zoeken. 

Starters, doorstromers en scheefwoners

Soms denken mensen dat er woningnood is onder de laagst betaalden. Er zijn namelijk wachttijden en op vrij komende woningen wordt soms door honderden belangstellenden gereageerd. Toch is het bestaan van woningnood moeilijk vast te stellen. Er kan ook sprake zijn van ‘frictie’, dat wil zeggen dat er tijdelijke tekorten zijn omdat het nu eenmaal even duurt voor mensen een nieuwe woning hebben gevonden en/of verhuisd zijn.

Ingezakte huizen als parodie op scheefwonen
‘Scheefwoners’, Bron: pixabay.com

De sociale-huursector is uiteraard geen statisch fenomeen; er zijn starters, er zijn huishoudens die naar een woning buiten de sector willen verhuizen (doorstromers) en er zijn huishoudens die een te hoog inkomen hebben voor de sector en er toch blijven wonen (zogenaamde scheefwoners). Als het aantal huishoudens dat instroomt gelijk is aan het aantal huishoudens dat buiten de sector een huis vindt over de tijd ruwweg gelijk is, is er geen woningnood. Dan hoeven er dus ook geen extra sociale-huurwoningen gebouwd te worden. 

Frictie in de sociale-huursector

Maar, zelfs als het aantal woningen dat voorradig is, gelijk is aan het aantal huishoudens in de doelgroep, kan er toch een probleem zijn. Er zijn namelijk ook huishoudens die binnen de sociale-huursector willen verhuizen. Sommigen willen een beter huis in een betere wijk, anderen willen een ander soort huis dat beter past bij hun situatie. Ouderen willen bijvoorbeeld van een eengezinswoning naar een appartement verhuizen.

Maar ook binnen de sociale-huursector zul je naar een ander huis moeten zoeken als je wilt verhuizen. In theorie is het mogelijk dat iedereen in de doelgroep een woning heeft, maar toch een woning zoekt. Het kan dan heel lang duren voordat iedereen zijn gewenste huis gevonden heeft. De zogeheten actieve zoektijd kan dan heel lang worden.

Frictie is geen woningnood

Als er een lange gemiddelde zoektijd wordt geregistreerd, zeg van meerdere jaren, dan zou de conclusie wellicht kunnen luiden dat de woningnood groot is. Er zijn echter niet te weinig huizen, er zijn genoeg huizen, maar mogelijk de verkeerde huizen en zelfs dat laatste hoeft niet het geval te zijn.

Het is namelijk denkbaar dat de juiste huizen voor iedereen aanwezig zijn, maar dat het met het geldende zoeksysteem niet mogelijk is iedereen in de gewenste huizen te krijgen. Als er een alwetende planner zou zijn, die precies ieders wensen kende en, natuurlijk ook alle beschikbare woningen, dan zou die planner een groot ruilschema kunnen opstellen waarbij iedereen in de gewenste woning uitkomt.

Dan is er dus in de sociale-huursector geen sprake van te weinig huizen. Men wacht tot de juiste woning beschikbaar komt, maar omdat iedereen op iedereen zit te wachten, komt er niets beschikbaar.

Frictie kan worden opgelost door doorstroming

Maar, als gezegd, in de sociale-sector vinden er wel veranderingen plaats. Sommige huishoudens vinden een woning buiten de sociale-huursector; er zijn ook huishoudens die ophouden te bestaan door sterfte. Er komen dus geregeld woningen beschikbaar en dat kan een lawine aan extra beschikbare woningen tot gevolg hebben. Zelfs als maar een paar woningen door vertrek uit de sector beschikbaar komen, kan dit al leiden tot een enorme daling van de zoektijd naar een andere woning in de sociale-huursector.

Een voorbeeldje. Stel woning A komt beschikbaar door het vertrek van huishouden a. Woning A is precies de woning waar huishouden b al tijden op wacht en ze krijgt woning A toegewezen. Huishouden b laat dan woning B achter, precies de woning die huishouden c zoekt. Huishouden d op haar beurt wacht al weer tijden op woning C. Enzovoorts.

Doorstroming vanuit de sociale-huursector is, met andere woorden, belangrijk om ervoor te zorgen dat huishoudens naar andere gewenste woningen kunnen verhuizen.

Misschien komt er woningnood …

Krotwoningen
Krotwoningen, Bron: nl.wikipedia.org

Conclusies tot nu toe. Op de koopmarkt is er continu toenemende schaarste die – bij ongewijzigd beleid – tot het instorten van de woningmarkt zal kunnen leiden, zoals begin jaren 1980 en na de kredietcrisis van 2008 gebeurde. Hoe dan ook zijn de starters en de recente starters dan de dupe.

Dat is echter geen woningnood: de (hoge) prijzen op de koopmarkt zorgen ervoor dat een deel van de vragers uit de markt worden geweerd. Zij gaan naar andere soorten behuizing, misschien wel ‘krotwoningen’.

In de sociale-huursector lijkt er nu niet echt sprake van schaarste te zijn. Op veel plaatsen in het land is het aanbod van sociale-huurwoningen grofweg gelijk aan het aantal huishoudens dat in aanmerking komt voor die woningen. Maar dat kan natuurlijk veranderen.

… door immigratie

Belangrijkste reden voor die verandering is immigratie. De laatste paar jaren is het immigratiesaldo in Nederland ruim 100.000. Dat is immigratie aan de onderkant en aan de bovenkant. Aan de onderkant zijn het veelal asielzoekers die – als ze statushouders worden – gehuisvest moeten worden in de sociale-huursector. Aan de bovenkant zijn het de expats – hooggeschoolde immigranten – die (nog meer) druk leggen op de koopmarkt.

De druk op de woningmarkt kan daarom verlicht worden door het migratiebeleid aan te passen, maar daar gaan hogere machten over (zie hier hoe economen tegen immigratie aankijken en hier hoe migratiebeleid eruit kan zien). Het rijk kan via allerlei maatregelen de vraag naar woningen ontmoedigen (het CPB somt maar liefst 30 mogelijke maatregelen op). Het zijn echter vooral de gemeenten die gaan over huisvesting en zij kunnen weinig aan het rijksbeleid doen. Wat kunnen zij wel doen?

Bouwen!

Peter Boelhouwer, hoogleraar woningmarkt aan de TU Delft, verkondigt dit al enige tijd. Onlangs beweerde hij in De Volkskrant dat er een tekort is aan 315.000 woningen. Waar dat getal op gebaseerd is, is mij niet helemaal duidelijk, maar het zal wel niet uit de lucht gegrepen zijn. De remedie is duidelijk: bouwen, maar dat wil maar niet vlotten.

Luister naar zijn woorden: “Sinds we geen minister van Wonen en Ruimtelijke Ordening meer hebben, is het allemaal lokaal. Zelfs binnen gemeenten lopen de doelstellingen vaak ver uiteen. Het grondbedrijf wil een maximale opbrengst bij verkoop van de bouwgrond, de gemeenteraad wil meer sociale woningbouw, wat de prijs weer drukt. En ligt er na jaren soebatten eindelijk een plan, dan tekent de zittende bevolking wel bezwaar aan.”

Gemeenten moeten bouwen

Gemeenten zouden dus meer moeten bouwen. Dat moeten ze dan wel willen en dat blijkt vaak niet het geval. Bovendien wil men dan vaak meer sociale woningbouw, terwijl daar op korte termijn niet het grootste probleem zit.

Zelfs als gemeenten willen bouwen voor de koopmarkt, zijn ze vaak afhankelijk van projectontwikkelaars omdat die de grond hebben. Gemeenten hebben natuurlijk wel grond in de buitenstedelijke gebieden, maar daar mag op grond van landelijke regelgeving maar beperkt gebouwd worden en in ieder geval zijn de provincies er tegen om het open landschap aan te tasten.

Milennials: protesteer

Net als ik heeft Boelhouwer waarschijnlijk kinderen uit de millenniumgeneratie die op zoek zijn naar een huis. Dit is wat hij daarover zegt: “Heb je een eigen huis, dan zit je goed. Met die lage rente en de hypotheekrenteaftrek is wonen zelfs goedkoop geworden, ook al zijn de huizenprijzen hoog. Daardoor wordt er ook nog eens flink vermogen opgebouwd. Maar de millenniumgeneratie heeft geen toegang tot die markt. Het is mij een raadsel waarom ze wel demonstreren voor het klimaat, maar niet voor betaalbaar wonen. Je mag ook iets eisen voor jezelf, toch?” 

Met een variant op het communistisch manifest, zouden we kunnen zeggen: “De millennials hebben niets dan krotten te verliezen. Zij hebben een betaalbare woning te winnen. Millennials aller provincies, verenigt U.”

Mag de (centrale) overheid voorwaarden stellen aan het ontvangen van een uitkering?

Als je in Nederland (en naar ik aanneem ook elders) in aanmerking wil komen voor een werkloosheids- (WW)uitkering, moet je voldoen aan de sollicitatieplicht. Dat wil zeggen dat je actief op zoek moet gaan naar een baan, terwijl je een WW-uitkering ontvangt. Bovendien krijg je ook alleen maar een uitkering als je niet door eigen schuld werkloos bent geworden.

Ook bij onvrijwillige werkloosheid geen aantrekkelijke WW-uitkering …

Bron: Sonder Quest op unsplash.com

De reden voor die twee voor-waarden is duidelijk: de overheid wil voorkomen dat mensen vrijwillig werkloos worden en dat dan ook blijven door het bestaan van een aantrekkelijk uitkeringsregime. De WW-uitkering bedraagt ongeveer 70% van je laatst verdiende brutoloon, maar de duur van die uitkering is beperkt. In het meest gunstige geval heeft een werkloos iemand twee jaar recht op een uitkering. De (voormalige) werkgever kan dat nog tot maximaal drie jaar en twee maanden uitbreiden, op grond van CAO-afspraken.

Het uitkeringsregime is dus maar beperkt aantrekkelijk, want als je na uiterlijk 3 jaar en twee maanden nog geen baan hebt gevonden, val je terug op een minimumuitkering. Die krijg je alleen maar als je geen vermogen hebt (bijvoorbeeld een eigen huis, of spaargeld) en als er niemand in je huishouden een inkomen minstens op minimumniveau heeft.

… want iedereen wil liever thuis zitten …

De overheid doet er dus alles aan om te voorkomen dat mensen een WW-uitkering als een aantrekkelijk alternatief gaan beschouwen. Dat gebeurt door zowel voorwaarden te stellen (werkloosheid mag niet je eigen schuld zijn en je moet actief op zoek naar een baan) als door het uitkeringsregime niet te aantrekkelijk te maken. Dit is dus kennelijk gebaseerd op het idee dat mensen liever met een uitkering thuis zitten dan aan de slag te zijn in een baan.

Maar als iedereen dat zo ziet, is er dus een neiging bij iedereen om vrije tijd te nemen als het maar even kan en iedere productieve activiteit achterwege te laten. In het uiterste geval is er dan geen productie, maar zijn er ook geen WW-uitkeringen, want daarvoor zijn premie-inkomsten nodig en daar is weer inkomen voor nodig waarover premie betaald kan worden. Inkomen, ten slotte, haal je uit productie.

…althans volgens de mainstream economische theorie…

Die visie op werk versus vrije tijd is de mainstream visie die eerstejaars economiestudenten in hun colleges micro-economie krijgen voorgeschoteld. Werken wordt in de theorie als een disutility gepresenteerd, ofte wel als iets dat een negatief nut geeft: werken is iets wat mensen willen vermijden. Vrije tijd is een utility: het is tijd die je naar eigen goeddunken kunt besteden en je daarom een positieve bevrediging geeft. Je zult echter wel moeten werken (negatief nut), omdat je zonder werk geen inkomen hebt en je dus ook niet kunt consumeren (positief nut). Mensen werken dus en hoeveel uren (of dagen, weken, enz.) ze werken, hangt ervan af hoe erg ze werken vinden (hoe groot het negatieve nut is). Mensen die werken heel erg vinden werken minder dan mensen die werken minder erg – maar nog steeds erg – vinden. Maar iedereen werkt.  

Die afruil tussen werken en vrije tijd verandert van vorm als er een alternatief is voor werken: een uitkering. Een uitkering geeft immers consumptie zonder dat men ervoor hoeft te werken. Het is dan ook mogelijk dat zelfs als men bij afwezigheid van een uitkering veel zou willen werken, de invoering van een uitkering betekent dat men niet meer zou willen werken. Dat maakt duidelijk waarom de overheid strenge voorwaarden aan het recht op een uitkering moet invoeren.

Dat is theorie. Is de theorie ‘waar’? Nee natuurlijk, want als er een vrije keuze zou zijn tussen een minimumuitkering en een baan, zullen niet alle mensen voor een uitkering kiezen. Er zijn mensen die werken zien als levensvervulling, die sociale contacten via het werk belangrijk vinden, die een vast ritme in hun leven willen hebben, enzovoorts. Voor deze mensen gaat de theorie niet op. Zij zullen nooit voor een uitkering kiezen, tenzij het niet anders kan.

De centrale overheid stelt harde voorwaarden aan ‘lagere’ overheden …

Het voorgaande gaat over individuen, maar laten we eens naar landen kijken met ‘hogere’ en ‘lagere’ overheden. De hogere overheid is de centrale overheid, in Nederland is dat het Rijk. Het Rijk geeft uitkeringen aan de lagere overheden, provincies, gemeenten en waterschappen, en kan daar voorwaarden aan verbinden. Bijvoorbeeld dat de lagere overheden ervoor zorgen dat mensen die hun leven niet meer op de rails hebben, via beschermd of begeleid wonen weer ‘zelfredzaam’ worden (zie hier). Als tegenprestatie geeft het Rijk daar dan een uitkering voor.

Het interessante is hier dat het niet om gelijk oversteken gaat. Het is dus niet zo dat de gemeente de beoogde taak uitvoert en dan tegelijkertijd een voldoende hoge uitkering krijgt. Het is zelfs zo dat het helemaal niet duidelijk is hoeveel geld het Rijk aan de gemeente geeft voor de zorgtaken. Wat betekent dit? Dit betekent dat de voorwaarden die het Rijk oplegt aan gemeenten zelfs belangrijker zijn dan het geld dat daar tegenover staat.

… hardere voorwaarden dan aan individuen…

Vergelijk dat eens met de situatie van een WW-uitkering. Stel dat de overheid wel voorwaarden oplegt aan het krijgen van een WW-uitkering (namelijk sollicitatieplicht en onvrijwillige werkloosheid), maar dat het volstrekt niet duidelijk is hoe hoog de WW-uitkering is die daar tegenover staat. Dan zou je verwachten dat weinig mensen moeite zullen doen om aan die voorwaarden te voldoen.

… want de lagere overheden moeten meedoen (medebewind)

autonomie,
bron: denederlandsegrondwet.nl

Gemeenten kunnen de voorwaarden die het Rijk hen oplegt (bied hulp aan de ‘onredzamen’) echter niet ontlopen, ook niet als ze helemaal niets zouden krijgen voor het uitvoeren van de opgelegde taken. Gemeenten zijn voor deze taken domweg ondergeschikt aan het Rijk en ze moeten doen wat het Rijk zegt. Dit wordt in de Nederlandse grondwet ‘medebewind’ genoemd. De gemeenten zijn alleen maar autonoom op die gebieden waarvoor de wetgever (het parlement) de gemeente niet opdraagt bepaalde taken uit te voeren.

De EU legt ‘zachte’ voorwaarden op aan de lidstaten

Laten we dan nu eens kijken naar een unie, zoals de Europese Unie (EU). Kan de centrale overheid van de EU voorwaarden opleggen bij uitkeringen aan lidstaten? Ja, dat kan, maar er is een subtiel verschil met de verhouding tussen de centrale overheid en de gemeenten in Nederland. Waar de gemeenten bij medebewindstaken ondergeschikt zijn aan de centrale overheid, ligt dat bij de lidstaten van de EU anders. De centrale overheid zijn de lidstaten namelijk deels zelf, via de zogenaamde raad van ministers. Deze raad bestaat uit de regeringen van de lidstaten. Als dus een lidstaat niet aan de voorwaarden voor een uitkering zou voldoen en op het matje bij de centrale overheid moet verschijnen, dan moet hij dus deels bij zichzelf op het matje komen.

Afspraken in de EU zijn dan ook moeilijk te handhaven. Op de eerste plaats is het al moeilijk om er precies achter te komen of lidstaten zich aan de afspraken houden. Op de tweede plaats, mocht het duidelijk zijn dat een lidstaat de afspraken heeft geschonden, dan zal hijzelf mee kunnen praten over eventuele sancties tegen zichzelf. Een voorbeeld betreft de afspraken over de maximale hoogte van het begrotingstekort en de schuld van de regeringen van de lidstaten. We zagen al eerder dat sommige lidstaten vrijwel permanent een te hoge schuld hebben. Volgens de regels moeten deze landen laten zien dat hun beleid erop gericht is de schuld te laten dalen. Als er echter geen duidelijke sanctie is, is de prikkel om aan de normen te voldoen niet erg groot.

… ook niet bij financiële hulp aan lidstaten

We hadden het over voorwaarden die moeten gelden voor het begrotingsbeleid van de lidstaten. Die voorwaarden werken niet zoals zou moeten omdat geloofwaardige sancties ontbreken. Maar er zijn ook uitkeringen die lidstaten kunnen ontvangen in tijden van nood. Tot voor kort konden lidstaten deze uitkeringen alleen maar onder strikte voorwaarden ontvangen. We schreven echter  eerder dat ook deze voorwaarden op den duur niet geloofwaardig zijn. De reden daarvan is dat door de gezamenlijke munt ‘zwakkere’ economieën permanent in een achterstandssituatie dreigen te komen. Die achterstand kan alleen door permanente overdrachten van de sterke naar de zwakke economieën overbrugd worden.

Het is zo goed als zeker dat de EU een transferunie wordt. Het is dus nog niet helemaal zeker. Een andere optie zou zijn om noodlijdende lidstaten onder curatele van de EU te brengen. Die lidstaten verliezen dan de vrijheid om hun eigen begrotingsbeleid te voeren. Dat zou dan door een speciaal EU-agentschap moeten worden gevoerd dat onder controle staat van het Europese parlement en, onvermijdelijk, ook van de Raad van ministers. Dat agentschap krijgt dan de taak om de begroting van de noodlijdende lidstaten weer op orde te brengen. Bij voorkeur zou het agentschap ook als taak moeten hebben de economie te herstructureren, zodat een noodlijdende lidstaat weer bij de ‘kopgroep’ van de EU zou kunnen aansluiten.      

Waarom economen wel en ‘sociologen’ niet in voorwaarden geloven ….

We zeiden het al hierboven, in de mainstreamvisie van economen is het noodzakelijk om uitkeringen onder voorwaarden te geven. Zonder die voorwaarden zouden te veel mensen een uitkering aanvragen. Voorwaarden houden het stelsel van sociale zekerheid betaalbaar. Dat geldt niet alleen voor mensen, het geldt ook voor landen. Hulp zonder voorwaarden leidt alleen maar tot meer hulp en/of tot meer landen die om hulp vragen.

Sociale wetenschappers (die dus geen econoom zijn) geloven minder (of niet) in prikkels. Als mensen komen om een uitkering, hebben ze het nodig. Voorwaarden stellen aan een uitkering is dan contra-productief, omdat het mensen die een uitkering nodig hebben er van weerhoudt er een aan te vragen. Dat geldt ook voor landen: als een land in problemen is, moet je het land helpen, ook als het land de problemen zelf heeft veroorzaakt

… maar soms is het omgekeerd

Dat economen wel en andere sociaal-wetenschappers niet in voorwaarden geloven, is natuurlijk een generaliserende opmerking. In de werkelijkheid ligt het genuanceerder, maar dat het ook omgekeerd kan zijn, is natuurlijk wel verbazingwekkend. Toch is dat zo. Op 1 april 2020 verscheen in de papieren krant van De Volkskrant een manifest van tientallen economen waarin de Nederlandse regering gevraagd wordt de Zuid Europese landen te helpen. Daarbij mochten er geen voorwaarden vooraf worden opgelegd, ook als de begroting van die landen niet op orde was. Dit zeiden ze letterlijk: “Landen moeten uiteraard hervormen en hun huishoudboekje op orde krijgen. Om dit te bewerkstelligen zullen we in de toekomst zeker van ons moeten laten horen. Maar nu is niet het moment voor die discussie. We moeten daarom ons kruit drooghouden. De gemeenschappelijke dreiging van het virus vraagt inschikkelijkheid en hulp. We kunnen en moeten vanuit onze relatief comfortabele positie solidariteit uitstralen.”

Wanneer economen niet in voorwaarden geloven

Deze economen willen dus dat landen in problemen zonder meer geholpen worden. Misschien dat er in de toekomst nog eens over voorwaarden gesproken kan worden, maar nu in ieder geval niet. Dit gaat helemaal tegen de aard van de gemiddelde econoom in. Als je landen helpt zonder tegenprestatie, komen ze volgende keer weer langs om hulp, zou de mainstream econoom zeggen, maar niet deze economen. Help deze landen nu maar, zeggen ze, en vertrouw er maar op dat ze hun leven verbeteren.

Wanneer ‘sociologen’ wel in voorwaarden geloven.

En dan wat de andere sociaal-wetenschappers betreft, die normaal gesproken niet zo in economische prikkels geloven, ook zij schreven een stuk in De Volkskrant.  Het ging om de uitkeringen die de regering aan bedrijven wil geven die door de corona-crisis in problemen zijn gekomen. Die uitkeringen, zo betogen de ondertekenaars van het manifest (voornamelijk geen economen), mogen niet zonder voorwaarden gegeven worden. Alleen bedrijven die het algemeen belang dienen, kunnen voor zo’n uitkering aan aanmerking komen.

Wat voor bedrijven dienen het algemeen belang? Op de eerste plaats zijn dat bedrijven die niet gepoogd hebben belastingen te ontduiken. Op de tweede plaats moeten ze de sociale rechtvaardigheid dienen en tenslotte moeten ze bijdragen aan een veilige en duurzame toekomst.

Of die voorwaarden wat voorstellen, is een vraag die ik niet kan beantwoorden. Alleen met de eerste voorwaarde zou ik wat kunnen. Bedrijven die voortdurend gebruik hebben gemaakt van oneigenlijke belastingconstructies hebben geen recht op overheidssteun.

Conclusie?

De corona-crisis zet alle wereldbeelden op zijn kop, ook die van economen en die van niet-economen.  

Grote projecten als verspilling

Ebilphilharmonie (Licentie)

Het is er nu even niet de tijd voor, maar als straks de coronavirus-pandemie voorbij is, gaan vele overheden weer enthousiast aan de slag met grote projecten. Infrastructuurprojecten (trein, metro, bus, e.d.), openbare gebouwen (sporthal, schouwburg, operahuis, e.d.), stadsontwikkeling, IT-projecten, enz. worden uit de grond gestampt. Deze projecten, soms uitgevoerd met gigantische budgetten, leiden als het meezit tot monumentale resultaten. Het Sidney operahuis en de Elbphilharmonie in Hamburg zijn daar voorbeelden van. Behalve door hun relatief omvangrijke budget, worden deze projecten ook gekenmerkt door grote risico’s op kostenoverschrijdingen of op lager dan verwacht gebruik van het uiteindelijke bouwwerk.

Niet alle economen vinden kostenoverschrijdingen inefficiënt

Die kostenoverschrijdingen worden door burgers, maar zeker ook door veel economen als bewijzen van mismanagement en/of verkeerde projectkeuze beschouwd. Bent Flyvbjerg is zo’n econoom die vindt dat bij veel projecten de effecten met opzet of per abuis van te voren verkeerd worden ingeschat. Als gevolg daarvan worden vaak niet de meest geschikte projecten gekozen.

Niet alle economen zijn het daarmee eens. De economen Fabian Herweg en Marco Schwarz zien kostenoverschrijdingen bij grote projecten als onvermijdelijk. De partij die het project uitbesteedt, kan het aanbestedingsproces echter zo inrichten dat de feitelijke prijs die tot stand komt, na heronderhandelingen, toch zo laag mogelijk is. Dit laten zij zien in een academisch paper dat zich niet makkelijk laat uitleggen.

Flyvbjerg: technici, politici en ambtenaren willen de kosten niet kennen

Laten we ons daarom eerst met Flyvbjerg bezig houden, wiens werk wat meer rechttoe-rechtaan is. Hij heeft een grote reputatie verworven door zijn empirische berekeningen van risico’s op ‘foute inschattingen’ bij grote projecten. Bijvoorbeeld, in een paper uit 2007 analyseert hij de aanleg van 44 stadsrailprojecten. Zijn bevinding: de gemiddelde kostenoverschrijding bedraagt 45 procent en gemiddeld was het aantal passagiers 51 procent lager dan verwacht.  

Flyvbjerg heeft veel van dit soort berekeningen gemaakt en zijn conclusie was steeds weer hetzelfde: kosten worden onderschat, het gebruik van het goed (een gebouw, railverbinding, enz.) wordt overschat en de uitvoeringstijd is in vrijwel alle gevallen veel langer dan gepland. Als Flyvbjerg deze berekeningen kan maken, waarom kunnen de mensen die betrokken zijn bij dergelijke projecten dat dan ook niet doen? Zijn antwoord (in 2014) is heel simpel: omdat zij daar geen belang bij hebben. Van grote projecten raken de belanghebbenden in “vervoering”. Voor technici zijn de resulterende monumenten kunststukjes die hen een grote reputatie kunnen bezorgen.

Politici motiveren grote projecten soms omdat die tot een groeispurt kunnen leiden (maar waar economische groei vandaan komt, is niet zo helder, zie hier). Zij zijn echter vooral dol op grote projecten door de zichtbaarheid die de resulterende monumenten kunnen creëren bij het publiek en de media. Grote projecten zijn “media magneten die het beeld opleveren van pro-actieve politici. Daarom hebben grote projecten aantrekkingskracht op politici, omdat politici niets liever willen dan zichtbaar zijn” (Flyvbjerg, 2014, mijn vertaling). Dan is het niet handig om de waarheid over kosten en opbrengsten onder ogen te moeten zien.

De meest spectaculaire kostenoverschrijdingen

De volgende tabel, uit het eerder aangehaalde 2014-paper van Flyvbjerg, demonstreert de grote financiële risico’s die vooral megaprojecten met zich brengen. Zowel de omvang als het vaak innovatieve karakter van deze soms spectaculaire projecten brengen grote onzekerheden in de (on)mogelijkheden van de uitvoering met zich mee. Dit kan tot uiteindelijke uitvoeringskosten leiden die twee tot negentien keer zo hoog zijn als oorspronkelijk berekend. Zo kende het beroemde operagebouw van Sydney in Australië een kosten-overschrijding van 1400%!

De tabel bevat een selectieve keuze, het zijn de meest spectaculaire overschrijdingen die te vinden zijn. Niet alle kostenoverschrijdingen zijn zo spectaculair, maar, zo meldt Flyvbjerg, kostenoverschrijdingen zijn geen uitzondering. Voor negen van de tien projecten geldt dat de uitvoering niet binnen het oorspronkelijke budget wordt uitgevoerd.

De verliezers van de Kanaaltunnel

De Kanaaltunnel kende slechts een bescheiden kostenoverschrijding van 80%. Vanaf het begin van de exploitatie van de tunnel, werd de exploitant geconfronteerd met financiële problemen als gevolg van de kostenoverschrijdingen bij de bouw (Wikipedia). De aflossing van de schuld werd echter niet op de gebruikers verhaald. Zoals Flyvbjerg uiteenzet, werden passagiers van de Kanaaltunnel in hoge mate gesubsidieerd. De subsidie kwam in dit geval echter niet van de belastingbetaler, maar van private investeerders die door de negatieve rendementen op het project hun inleg verloren. De Kanaaltunnel is een typisch voorbeeld van een project dat een technologisch succes was, maar financieel een tragedie vormde voor de sponsors van het project.

Monumenten worden niet aangelegd bij volledige informatie…

Flyvbjerg definieert het succes van een project als de mate waarin een project binnen het vastgelegde budget, binnen de geplande tijd en met de verwachte opbrengsten wordt afgerond. Aangezien voor de criteria afzonderlijk geldt dat zij gemiddeld slechts voor één van de tien projecten opgaan, is de conclusie dat van de 1000 projecten er gemiddeld slechts één succesvol zal zijn. Toch worden grote projecten altijd doorgezet als tijdens de uitvoering kostenoverschrijdingen of vertragingen aan het licht komen. Het blijkt in de praktijk onmogelijk om gestarte projecten weer af te blazen.

Maar stel dat men van te voren de ‘echte’ kosten en tijdsinvesteringen van een project zou kennen en dat die inderdaad veel hoger en langer zijn dan de eerste berekeningen aangaven. Dan zou men wellicht nooit aan zo’n project beginnen. Dat zou dan betekenen dat bij volledige informatie over de kosten van een project, er nooit projecten van de grond zouden komen.

… maar monumenten zijn de moeite waard, toch?

Albert Hirschman beweerde in 1967 op grond van deze constatering dat het voor een actief investeringsbeleid van overheden daarom beter is niet alle informatie van te voren te hebben. Dat is mede het geval omdat we bij grote projecten niet alleen de kosten onderschatten, maar ook de creativiteit waarmee problemen bij de implementatie van projecten kunnen worden overwonnen.  

Bekijk de wereldberoemde schelpen- of zeilenstructuur op het operagebouw van Sydney, Australië. Wie zou die alsnog willen verwijderen als het daardoor mogelijk zou zijn de gigantische kostenoverschrijding bij de aanleg alsnog ongedaan te maken? Dat is sowieso al ondenkbaar omdat het gebouw sinds 2007 op de werelderfgoedlijst van de UNESCO staat. Dat lijkt een sluitend bewijs dat kostenoverschrijdingen grootse architectonische prestaties mogelijk maakt. De monumentale waarde die uiteindelijk gerealiseerd wordt, levert dan een compensatie voor de kostenoverschrijdingen.

Flyvbjerg: grote projecten zijn verspilling…

Flyvbjerg bestrijdt deze zienswijze. Zijn belangrijkste punt is dat het in geïsoleerde gevallen kan voorkomen dat de monumentale waarde van het gebouw bij voorbaat wordt onderschat en dat deze onderschatting de kostenoverschrijdingen kan compenseren. Of dat bij het operagebouw van Sydney het geval was, betwijfelt Flyvbjerg. Een niet in rekening gebrachte kostenpost in Sydney was het reputatieverlies dat de Deense architect Jörn Utzon leed door de twijfels die latere lokale bestuurders opwierpen over zijn capaciteiten als kostenbeheerder (zie ook hier). Dit reputatieverlies zorgde ervoor dat Utzon nauwelijks nog opdrachten kreeg voor zulke monumentale opdrachten als bij het operagebouw van Sydney. 

In de meeste gevallen zijn zowel de kosteninschattingen als de inschattingen van de behoefte bij grote projecten te optimistisch.  De hoger dan verwachte kosten en de lager dan verwachte vraag versterken elkaar in plaats van elkaar te compenseren. Projecten waarvoor dit geldt, en dat geldt voor meer dan 99% van de projecten volgens Flyvbjerg, zijn vaak economisch niet levensvatbaar. Bovendien zorgen de soms dramatische kostenoverschrijdingen ervoor dat andere wel economisch levensvatbare, maar wellicht niet erg spectaculaire projecten geen doorgang kunnen vinden. Zo worden (schaarse) belastingmiddelen verspild bij de toewijzing aan projecten.

Grote, spectaculaire maar niet renderende projecten worden gestart ten koste van kleinere projecten die minder publiciteit opleveren, maar wel renderen. Volgens Flybvbjerg leidt deze praktijk waarbij vooral projecten worden gekozen die er op papier het beste uitzien tot een “survival of the unfittest”. De projecten die er op papier het beste uitzien zijn de projecten die de kosten het meest onderschatten en de waarde van het project het meest overschatten. Zij worden uitgevoerd, maar zijn zo opgezet dat financiële rampen onvermijdelijk zijn.

… omdat de ontwerpers lijden aan de planning fallacy

Hier volgt de les van Flyvjberg in een notendop. Iedereen die direct betrokken is bij een groot project heeft er belang bij het project als voordelig en waardevol voor te stellen. Misinformatie over projecten is dan ook wijdverbreid. Foutieve informatie hoeft niet eens met opzet gegeven te worden; planners zijn vaak te optimistisch over hun eigen mogelijkheden. Zij lijden aan de ‘plannning fallacy‘, een begrip dat gemunt werd door de psycholoog Daniel Kahneman.

Kahneman is een psycholoog die zich heeft bezig gehouden met hoe mensen zich gedragen in economische keuzesituaties. Als je iets wilt ondernemen, vraag je je af, hoe veel tijd gaat dit mij kosten en wat levert dit voor mij op. In hoofdstuk 23 van zijn beroemde bestseller Thinking fast and slow beschrijft hij op amusante wijze hoe hijzelf als voorzitter van een commissie voor curriculumontwikkeling ten prooi viel aan wat hij de inside view noemt. Hij schatte in hoelang zijn commissie bezig zou zijn met de taak (het schrijven van een leerboek), maar keek daarbij niet naar de ervaringen van anderen in soortgelijke situaties, de outside view. In het laatste geval zou hij al gauw tot de ontdekking zijn gekomen dat zijn inschatting veel te optimistisch was. Inderdaad, het werk van zijn commissie bleek zes jaar langer te duren dan oorspronkelijk gepland.

… tenzij men kijkt naar de kosten en opbrengsten van soortgelijke projecten

Het gevolg van de planning fallacy is verspilling omdat juist de niet levensvatbare projecten het groene licht krijgen ten koste van de wel levensvatbare projecten. Het zou dus tot een aanzienlijke welvaartswinst leiden als de informatie over kosten en opbrengsten zo objectief mogelijk wordt gepresenteerd. Dat kan volgens Flyvbjerg door bij de kosten- en vraagramingen van grote projecten rekening te houden met de ervaringen van andere gerelateerde projecten. De data van deze projecten zijn aanwezig zoals Flyvjberg zelf heeft laten zien, bijvoorbeeld bij stadsrail-projecten. Met deze data is het mogelijk een realistische schatting van kosten en opbrengsten te maken.

Zelfs bij realistische schattingen blijven kostenoverschrijdingen mogelijk, al zullen die niet zo groot zijn als bij het operahuis van Sydney (1.400% overschrijding). Reserves moeten dus worden ingebouwd. Het lijkt mij dat die reserves niet aan het budget moeten worden toegevoegd, want dan worden ze zeker opgesoupeerd door projectmanagers. Dat kan worden voorkomen door reserves in een fonds te stoppen. Een projectmanager mag daar een beroep op doen, maar alleen met een goede reden. Om te voorkomen dat er te snel een beroep op het fonds wordt gedaan, zou een uitkering uit het fonds gepaard moeten gaan aan het verlies van bevoegdheid voor managers.

Zijn planners rationeel?

Kahneman en Flyvbjerg gaan niet uit van de veronderstelling dat mensen volledig rationale wezens zijn. Een rationeel persoon zou de juiste kosten en opbrengsten van een project kunnen schatten. Rationele personen hebben geen last van de planning fallacy en ook niet van de sunk-cost fallacy. Die laatste fallacy betekent dat projectmanagers een project niet willen stoppen ook als al duidelijk is dat het mislukt is. Rationele personen zouden in zo’n geval wel stoppen en overgaan op een ander hopelijk wel succesvol project.

De economen Herweg en Schwarz gaan wel uit van rationele besluitvormers. Deze besluitvormers weten dat het niet mogelijk is kosten en opbrengsten volledig en juist vooraf te berekenen. Met dit gegeven, proberen zij er dan het beste van te maken door in de aanbesteding zoveel mogelijk de garantie te krijgen dat de biedende partij later in het proces de kostenoverschrijding zo laag mogelijk zal maken. Hoe dat uitpakt, gaan we hopelijk later nog eens zien.           

Wat doen we voor onze onplaatsbare medemens? (bijstand, basisinkomen, basisbaan of basis-uitzendbureau)

Het is een soort economische wet dat mensen betaald worden naar hun productiviteit. Mensen met een productiviteit lager dan het minimumloon, werden door voormalig politicus Marcel van Dam tien jaar geleden ‘onrendabelen’ genoemd. Deze onrendabelen (we gebruiken vanaf nu de wat vriendelijker term ‘onplaatsbaren’) zijn ongeschikt voor de arbeidsmarkt: zonder ingrijpen van de overheid met geld en/of regels zullen deze mensen nooit een baan krijgen. Wat moet de overheid voor de onplaatsbaren doen? Recent kwam de Wrr met een (overigens niet helemaal) nieuw idee: de basisbaan. Gaat dit werken? Een tocht langs vele pogingen onplaatsbaren te plaatsen.

Het minimumloon maakt 300.000 mensen onplaatsbaar

Bron: commons.wikimedia.org

Laten we eerst nagaan hoeveel mensen geen plek kunnen vinden op de arbeidsmarkt. Het gaat om mensen met een productiviteit die lager is dan wat met het minimumloon overeenkomt. Geen enkele baas wil die mensen in dienst nemen, want dat levert hem een verlies op. Deze mensen komen dan – onder bepaalde voorwaarden – in de bijstand terecht. Zij ontvangen een minimumuitkering, maar worden toch – volgens de regels – geacht te blijven zoeken naar een baan. Die gaan ze echter niet vinden. Zij zullen daarom naar verwachting lang in de bijstand blijven.

Om een idee te krijgen van het aantal onplaatsbaren in Nederland, kunnen we nagaan hoeveel mensen langdurig een bijstandsuitkering ontvangen. Dat zijn er volgens het CBS ruim 300.000. Dat kan een onderschatting zijn omdat de partner van degene die bijstand ontvangt dan waarschijnlijk ook weinig toegang heeft tot de arbeidsmarkt. Er zijn ook mensen met een ‘normale’ baan die een partner hebben zonder uitkering, maar ook zonder toegang tot de arbeidsmarkt. Het getal van 300.000 kan echter ook een overschatting zijn, omdat zelfs mensen die lang in de bijstand hebben gezeten soms toch een baan vinden en dus de bijstand weer verlaten.

Uit de gegevens van het CBS blijkt ook dat van de mensen zonder migratie-achtergrond (zeg maar autochtone Nederlanders) nog geen 0,2% langdurig bijstand ontvangt. Van de mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond (zeg maar allochtonen) ontvangt ongeveer 12% langdurig bijstand. Dat duidt er niet op dat deze allochtonen allemaal onrendabel zijn; het lijkt er eerder op dat zij zich niet of niet voldoende geschikt maken voor de arbeidsmarkt (slechte beheersing van de Nederlandse taal, slechte werkethiek, ed.), of dat potentiële werkgevers deze mensen op grond van een vooroordeel niet geschikt voor een baan vinden.

Het getal van 300.000 onplaatsbaren is dus niet erg hard, ook omdat capaciteit en gedrag hier (maar eigenlijk: zoals altijd) door elkaar lopen. Sommige ‘onplaatsbaren’ zouden misschien best geschikt kunnen zijn voor een gewone baan op de arbeidsmarkt, maar doen zich voor als onrendabel omdat zij het wel prettig vinden om buiten het stramien van een arbeidsleven te blijven. Maar zelfs als er maar 200.000 onplaatsbaren zouden zijn, is dat toch een substantieel aantal. Per jaar kosten deze onplaatsbaren de overheid ongeveer 2,5 tot 3 miljard euro aan bijstand. Het is dus best de moeite waard te proberen onplaatsbaren weer rendabel te maken.

Melkert-banen hebben niet tot reguliere banen geleid

Bron: commons.wikimeida.org (PvdA Poster, Ad Melkert)

Er zijn al diverse pogingen gedaan om mensen ‘met een grote afstand tot de arbeidsmarkt’ – zoals dat officieel heet – aan een betaalde baan te helpen. Een van de meest in het oog springende pogingen van de afgelopen drie decennia waren de zogenaamde Melkert-banen, die in 1994 werden ingevoerd. Dit waren gesubsidieerde banen en, omdat er geen concurrentie met bestaande banen mocht zijn, waren het allemaal nieuw gecreëerde banen. Die banen werden vaak ingevoerd bij semi-publieke instellingen zoals scholen, bejaardenhuizen, enz. Het idee was dat als mensen een tijd in een gesubsidieerde baan zouden werken, zij op een gegeven moment door de ervaring die zij opdeden en door het wennen aan het werkritme, vanzelf geschikt zouden worden voor een reguliere niet gesubsidieerde baan.

Binnen twee jaar na de start van de Melkert-banen verschenen er echter al berichten dat de doorstroming van de zogenoemde ‘Melketiers’ te wensen overliet. De doorstroming was slechts 10%, zo meldde De Volkskrant in 1996. Latere berekeningen wezen uit dat de doorstroming eerder in de buurt van 5% dan in buurt van de 10% zat. Dat zou kunnen bewijzen dat de onplaatsbaren ‘echt’ onrendabel zijn: werkgevers hebben er geen vertrouwen in dat Melketiers zonder verlies in hun bedrijf kunnen worden ingezet. De vraag is natuurlijk hoe de werkgevers dat kunnen weten. Misschien weten ze dat helemaal niet, maar gaan ze ervan uit dat iemand die in een Melkertbaan heeft gewerkt (dus met subsidie) vast en zeker niet rendabel kan zijn. Als iemand voor een Melkertbaan kiest, is dat voor een werkgever een signaal dat die persoon zichzelf ongeschikt acht voor een reguliere baan.

Werkt loonkostensubsidie beter?

Misschien was het probleem van de Melkert-banen wel dat het nieuw gecreëerde banen moesten zijn. Er mocht immers geen verdringing bij bestaande banen plaats vinden. De angst was dat werkgevers Melketiers in plaats van ‘gewone’ werknemers zouden inzetten; die Melketiers waren immers goedkoper door de subsidie. Als je er even nadenkt, concludeer je dat de beleidsmakers hier een denkfout maakten. Gewone werknemers in banen op of boven het minimumloon zijn immers hun loon waard, Melketiers zijn dat loon niet waard: zonder subsidie zou de werkgever verlies lijden op een Melketier. Dankzij de subsidie die de werkgever krijgt op het minimumloon zijn de Melketiers precies het loon waard. Ofte wel, een Melketier is voor de werkgever niet goedkoper dan een reguliere werknemer. Verdringing ligt niet voor de hand als een Melketier niet goedkoper is dan een niet gesubsidieerde werknemer op het minimum.

Waarom dan niet alleen een subsidie gegeven en verder gezwegen over mogelijke verdringing? Omdat er in de voorgaande alinea toch iets fout gaat. Er wordt namelijk aangenomen dat alle onplaatsbaren even onrendabel zijn, maar dat is natuurlijk niet waar. Sommige mensen kunnen bijna niets en anderen zitten heel dichtbij de productiviteit die het minimumloon veronderstelt. Dus eigenlijk zou iedere onrendabele een andere subsidie moeten krijgen, afhankelijk van zijn of haar productiviteit.

En daar ontstaat een nieuw probleem, want hoe bepaal je de productiviteit van iemand. Daar is geen duidelijk recept voor. Bovendien kan het voor iemand wiens productiviteit gemeten moet worden, voordelig zijn als die productiviteit zo laag mogelijk wordt ingeschat. Bij een lage productiviteit volgt er een hoge loonkostensubsidie, maar dat betekent ook dat de werkgever geen al te hoge eisen aan de werknemer in spe kan eisen: zijn (of haar) productiviteit is immers laag. Dat is op langere termijn ongunstig voor de laagbetaalde, want een hoge loonkostensubsidie kan door de werkgever worden opgevat als een signaal dat de laagbetaalde niet geschikt is voor een reguliere baan. Een hoge loonkostensubsidie betekent dus indirect dat de doorstroom naar ‘normaal’ betaald werk uitblijft. 

Het basisinkomen durft niemand aan, ….

Een alternatief dat al heel lang in de Nederlandse discussie rondwaart, is het basisinkomen. De opzet van het basisinkomen is om iedereen vanaf 18 jaar simpelweg een onvoorwaardelijk minimuminkomen te geven. Voor mensen die werk niet als een noodzakelijke levensvervulling zien, zal dit inkomen voldoende zijn om in het levensonderhoud te voorzien. Mensen die werk zien als een vorm van zelfrespect en een bron van sociale contacten, zullen juist met het basisinkomen op zak, veel eenvoudiger aan werk kunnen komen dan zonder een basisinkomen het geval zou zijn. Werkgevers mogen het basisinkomen immers beschouwen als een soort franchise waar bovenop de werkgever het inkomen aanvult. Vooral voor mensen met een productiviteit rond het minimuminkomen zullen de loonkosten voor de werkgevers daarom zeer laag zijn en zal de vraag naar deze werknemers sterk kunnen toenemen.

Bron: basisinkomen.nl

Het basisinkomen lost dus direct het probleem voor de onplaatsbaren op. Het minimumloon bestaat niet meer en voor de werkgever zijn zelfs de onplaatsbaren winstgevend. Toch durven maar weinig mensen het basisinkomen van harte aan te bevelen. Integendeel, velen raden de invoering van het basisinkomen af. Er zijn veel redenen voor, we noemen er hier twee.

… want de effecten zijn onzeker

De eerste reden is de angst dat onder het basisinkomen veel meer mensen dan verwacht besluiten zich niet op de arbeidsmarkt te melden. Het eigenaardige is dat er veel wordt beweerd dat een baan voor iedereen noodzakelijk is om aan het leven structuur en zin te geven, maar dat men kennelijk toch vreest dat veel mensen dat niet vinden. Dat laatste zou dan wel weer in overeenstemming zijn met de micro-economische theorie die ervan uitgaat dat mensen werk als een disutility beschouwen. Ofte wel, als er een mogelijkheid is werk te vermijden, zal men dat doen. Het basisinkomen biedt juist die mogelijkheid.

Er is dus een grote onzekerheid over de gedragseffecten van een basisinkomen. Daarom wordt er vaak aangenomen dat er geen gedragseffecten zijn van de invoering van het basisinkomen. Je kunt dan rechttoe rechtaan uitrekenen hoeveel de invoering van het basisinkomen netto kost. In 1982 deden de economen C. de Kam en P. de Graaf dat al in het economenblad ESB (alleen voor abonnees). Volgens hun berekening zou de invoering van het basisinkomen 35 miljard gulden gaan kosten. Zij noemen de invoering van het basisinkomen daarom een utopisch plan. In 2016 deden Alfred Kleinkecht c.s. die berekening nog eens over in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Zij komen uit op een bedrag van 107 miljard euro. Daarmee hebben we dan de tweede reden waarom velen de invoering van het basisinkomen ontraden. De extra uitgaven zijn zo hoog dat de financiering ervan tot grote verstoringen van de economie moeten leiden.  

Melkertbanen worden Muyskenbanen, …

Een loonkostensubsidie zal dus niet helpen laagbetaalde onplaatsbaren aan een reguliere baan te helpen. Werken met behoud van (een deel van de) uitkering – ook wel eens geopperd als remedie voor de onplaatsbaren – is een impliciete loonkostensubsidie. Daarbij krijgt de onplaatsbare geen of een laag loon, maar mag hij/zij de uitkering behouden. Een basisinkomen is in feite ook een subsidie, maar dan een subsidie die iedereen krijgt. Daarom gaat van een basisinkomen, anders dan bij een loonkostensubsidie, niet het signaal uit dat iemand zichzelf eigenlijk onplaatsbaar vindt. Het budgettaire risico van een basisinkomen (voor iedereen) is echter erg groot.

Foto: Ad Huikeshoven – Eigen werk, CC BY-SA 3.0

Dan keren we weer terug naar de Melkertbanen, speciaal gecreëerde banen die zowel voor de laagbetaalden met weinig kans op een reguliere baan als voor de maatschappij nuttig zijn. Maar anders dan bij de Melkertbanen is er geen sprake van een subsidie. Met dit voorstel kwam de Wrr in januari jl. op de proppen. Dat idee was overigens niet van de Wrr zelf. De Maastrichtse hoogleraar Joan Muysken kwam in 2010 met dit voorstel (zie het artikel van Klosse en Muysken op de economenwebiste Me Judice).

 … maar we noemen ze nu basisbanen

Muysken noemde zijn ‘Muyskenbanen’ (bescheiden als hij is) basisbanen. Het uitgangspunt van de basisbanen is dat het een taak van de overheid is voor iedereen volwaardig en zinvol werk te garanderen. Dat betekent dat de overheid de plicht heeft om met name de onplaatsbaren een arbeidsovereenkomst tegen het minimumloon aan te bieden. Deze plicht wordt bij de gemeenten neergelegd die nu ook al verantwoordelijk zijn voor de reïntegratie van langdurig werkelozen.

Het idee van de basisbaan leidt direct al tot een aantal problemen. Ten eerste, als de gemeente de plicht heeft basisbanen te creëren, heeft de onplaatsbare dan de plicht zo’n basisbaan te accepteren? Mag de onplaatsbare ook thuis blijven zitten? Aangezien Muysken de basisbaan een ‘garantie op een zinvolle baan’ noemt, lijkt hier sprake te zijn van vrijwilligheid – vrijwilligerswerk kan bij Muysken overigens ook als een basisbaan gelden. Als de onplaatsbare niet geplaatst wil worden, hoeft dat ook niet. De gemeente kan dan potentieel met een hele serie aan niet vervulde zinvolle maatschappelijke taken komen te zitten.

Maar, als de onplaatsbare de taken niet wil vervullen, mag dan iemand die productief genoeg is voor werk op minimumniveau die banen vervullen? Voor een plaatsbare kan een basisbaan aantrekkelijk zijn: aangezien een basisbaan wordt ingericht voor een onplaatsbare, zullen de eisen die aan zo’n baan gesteld kunnen worden minder zijn dan voor een reguliere baan. Er wordt een minimumloon betaald, maar de productiviteit die verwacht wordt is minder dan het minimumloon. Dat wordt dus een baan zonder stress voor een plaatsbare.

Misschien willen wel heel veel mensen een basisbaan

Maar dat leidt dan weer tot andere problemen. Als mensen die productief zijn op het niveau van het minimumloon een basisbaan mogen vervullen, kan er wel eens heel veel belangstelling zijn voor de basisbanen. Die belangstelling komt van mensen in reguliere banen op of misschien iets boven het minimumniveau. Deze banen lopen dus leeg. De gemeente zou dat kunnen voorkomen door alleen onplaatsbaren toe te laten voor de basisbanen. Dat betekent dan weer dat het voor veel mensen interessant kan worden om zich als onplaatsbare voor te doen om op die wijze in aanmerking te komen voor een relaxte baan.

Kortom, de basisbaan kan een aanzuigende werking hebben. In plaats van 300.000 onplaatsbaren – die wij eerder hadden geteld – krijgen we misschien wel twee miljoen onplaatsbaren, of nog meer. Overigens was Muysken bij zijn telling op twee miljoen onplaatsbaren uitgekomen. Hij rekende ook mensen zonder baan mee die misschien wel willen werken, maar geen uitkering krijgen. Dat kost de overheid dan bruto 40 miljard euro.

Is het erg dat mensen die plaatsbaar zijn zich voordoen als onplaatsbaar? Ja, dat is erg want dat betekent dat voor veel meer mensen een reguliere baan uit het zicht raakt. Door zich als onplaatsbaar voor te doen, plakken mensen zich direct het etiket ‘ongeschikt voor een reguliere baan’ op. Veel laag betaald werk dat in de particuliere sector door mensen met een productiviteit op of net iets boven het minimumloon wordt gedaan, kan dan niet meer gedaan worden. De mensen die dat zouden kunnen doen zijn naar een baan voor een onplaatsbare vertrokken.

Basisbanen zijn een variant op de Sociale WerkVoorziening (SWV)

Hoewel de gemeenten de werkgevers zijn van de basisbanen, mogen de onplaatsbaren ook binnen de private sector te werk gesteld worden. Dan begint deze constructie dus erg te lijken op de vroegere sociale werkvoorziening, (SWV), die dezelfde constructie kent. Bij de SWV werden eenvoudige werkzaamheden op bestelling uitgevoerd. Dit betrof bijvoorbeeld inpakwerk van snoep, eenvoudige houtbewerking, enz. Deze voorziening is echter in een sterfhuisconstructie terecht gekomen omdat er geen nieuwe mensen meer mogen worden aangenomen (zie SCP).

De SWV is op termijn afgeschaft omdat de mensen die bij de SWV werkten niet doorstroomden naar een reguliere baan. We weten nu inmiddels dat dit ook niet verwacht had mogen worden. De onplaatsbaren vonden hier beschutting bij de SWV en maakten zich ook nog voor een deel productief.

De afschaffing van de SWV maakt malafide zorgondernemers rijk

Na het afschaffen van de SWV is er voor deze mensen geen bescherming meer. Uiteraard laat onze beschaafde maatschappij deze mensen niet aan hun lot over en moeten de gemeenten deze ‘cliënten’ een vorm van dagbesteding aanbieden. Hier zien we hoe de logica van het beleidsdenken een bezuinigingsmaatregel (“de SWV werkt niet, dus afschaffen”) in zijn tegendeel doet verkeren.

Want in plaats van deels productief te zijn bij de SWV, gaan deze mensen als dagbesteding op een zorgboerderij of bij een motorbedrijf aan de slag. Deze bedrijven betalen niet aan de overheid, zoals bij de SWV het geval zou zijn. Nee, de overheid betaalt aan deze bedrijven, want het werk dat de cliënten doen wordt niet meer als werk beschouwd. Zij krijgen zorg. Het is een prachtig verdienmodel voor malafide types die zelfs in staat zijn dagbesteding te verlenen in de hennepteelt (zie hier).

Terug naar de SWV, maar noem het basisuitzendbureau

Kortom, het is tijd dat we de de SWV weer optuigen, maar we gaan die nu het BasisUitzendBureau (BUB) noemen. De BUB wordt gefinancierd door de rijksoverheid. Overal in het land gaan we BUBs oprichten waar de overheid (rijk en lagere overheden) mensen kan inhuren. Uiteraard niet voor een minimumloon, maar voor een bedrag dat overeenkomt met de ‘loonwaarde’ van de betrokken mensen. Daar doen we niet moeilijk over: we zetten voor iedereen de loonwaarde laag. We doen ook niet moeilijk over een beetje marktwerking. In tegenstelling tot bij de zorg kunnen we bij het plaatsen van de onplaatsbaren best wel een beetje marktwerking invoeren.  Ook marktbedrijven mogen een beroep doen op medewerkers bij de BUB. Deze BUB-ers kunnen voor langere of voor kortere tijd uitgezonden worden naar zo’n marktbedrijf, bijvoorbeeld om daar inpakker te worden.

Deelname aan de BUB wordt verplicht voor een onplaatsbare, maar het moet mogelijk zijn de werktijd te besteden aan vrijwilligerswerk. Daarvoor moet dan wel toestemming zijn van de directeur van de BUB. Bovendien word je alleen tot de BUB toegelaten na minstens twee jaar in de bijstand te hebben gezeten .

De aanzuigende werking van een BUB-plaats zal wel meevallen. Als je op een BUB geplaatst wordt, kun je allerlei soorten werk verwachten, zoals snoepjes inpakken, concierge-activiteiten op een school, ramen lappen, mestkuilen leeg halen, enz. Ook al ligt het tempo van een BUB-klus laag, het is toch, door het soms commerciële karakter, minder gericht op maatschappelijk nuttig werk. en daarom minder aanzuigend.

Kortom, voer zo snel mogelijk voor het heil van onze onplaatsbaren en ter voorkoming van het verder binnendringen van de criminaliteit in dagbestedingsactiviteiten de BUB in.

Moderne monetaire theorie (MMT): actueel (voor de VS) en controversieel

Het nieuwe politieke icoon in de VS, congreslid Alexandria Ocasio-Cortez, zette de MMT in januari 2019 (weer) op de politieke agenda. Het leidde tot een fel debat met uitspraken van tegenstanders als: MMT is een “foute grap”, “rampzalige onzin”, “rijp voor de vuilnisbak”, enzovoorts. Het ligt erg voor de hand dat MMT controversieel is. Een van de belangrijkste uitgangspunten namelijk is dat overheidstekorten of overheidsschulden er niet zo veel toe doen als die schulden zijn uitgegeven in de eigen munt van de overheid. Dit is een idee dat budgettaire ‘haviken’ (die eigenlijk vinden dat de overheid helemaal geen schuld mag hebben) doet rillen. Maar ook mensen (veelal economen) die wat genuanceerder over schuld denken (“overheidsschuld is niet rampzalig, zolang het niet uit de hand loopt”) zijn sceptisch over MMT. “Moderne monetaire theorie (MMT): actueel (voor de VS) en controversieel” verder lezen

Waarom het terecht is boycots van Israël te boycotten

Michiel Bot beweert in het Nationaal Juristenblad (NJB, 2018, nr. 1) dat pogingen door nationale overheden om boycots van Israël te bestrijden in strijd zijn met het beginsel van de vrijheid van meningsuiting en vergadering. Hij verwijst daarbij naar boycotacties van Afro-Amerikaanse burgers in de jaren 60 die gericht waren tegen personen en bedrijven die raciale segregatie in de VS in stand hielden. Het Hooggerechtshof in de VS had destijds geoordeeld dat deze acties in overeenstemming met de vrijheid van meningsuiting en vergadering waren. Bot trekt daaruit de conclusie dat de anti-Israëlboycots ook wettig zouden zijn. Hij haalt echter twee soorten boycots door elkaar. De oproepen tot een boycot van Israël raakt het buitenlandse beleid van landen. De nationale overheden van die landen, zoals de federale overheid in de VS, claimen daar een alleenrecht op. De boycotacties van de jaren 60 waren gericht op het beleid van staten. Deze staten zijn ondergeschikt aan de federale overheid en hadden en hebben geen alleenrecht op het beleid inzake burgerrechten. “Waarom het terecht is boycots van Israël te boycotten” verder lezen

Begrotingsbeleid (College 6 EvdO))

De overheid mag in economisch slechte tijden de overheidsschuld op laten lopen om zo de economie te stimuleren, als ze in economisch goede tijden de schuld maar weer laat dalen om schuldexplosies te voorkomen. Dit inzicht is nu triviaal, maar er was een genie als John Maynard Keynes voor nodig om dit (in de jaren 1930) als eerste in te zien.
Dit zogenaamde anti-cyclische begrotingsbeleid is ergens in de jaren 60/70 van de vorige eeuw populair geweest, maar raakte daarna in diskrediet. Hoe komt dat?

“Begrotingsbeleid (College 6 EvdO))” verder lezen

Moeten we langer en harder werken?

Bron: argumentenfabriek.nl

Volgens Frank Kalshoven moeten wij Nederlanders meer gaan werken, meer uren maken, jonger beginnen met werken en veel later met pensioen gaan. In De Volkskrant van 24 mei 2014 zei hij dat de cao’s weer uit moeten gaan van een 60-urige werkweek. Letterlijk zei hij: “De economische groei zal omhoog gestuwd worden door meer uren te werken en meer te investeren, vooral in menselijk kapitaal.”  Economische groei bereik je volgens Kalshoven eenvoudig door zowel slimmer als harder te werken. Is dat zo?

“Moeten we langer en harder werken?” verder lezen