Korten van pensioenuitkeringen: onwenselijk en onnodig

Bovenop de AOW, zie de vorige blog, krijgen veel Nederlanders een uitkering van hun aanvullende pensioen. Aanvullende pensioenen worden bijna altijd door de werkgever georganiseerd en werknemers zijn verplicht zich hierbij aan te sluiten. Ook dit deel van het Nederlandse pensioenstelsel staat onder vuur.  De president van de Nederlandsche Bank, Klaas Knot, heeft verklaard dat de pensioenuitkeringen gekort moeten worden. Anders, zo beweert hij , zullen de jongeren in de toekomst een (nog??)  lager pensioen krijgen. Bij de aanvullende pensioenen sparen deelnemers voor hun eigen toekomstige pensioen. Hoe kan het dan dat jongeren bij moeten dragen aan de pensioenen van de ouderen? Laten we dat eerst uit de doeken doen.

Hoe de aanvullende pensioenen werken: aannames

Laten we een heel simpel voorbeeld nemen om de essentiële eigenschappen van de aanvullende pensioenen te beschrijven. Stel dat de deelnemers twee perioden leven. In de eerste periode werken ze en hebben ze een inkomen van 100 en wordt ze een pensioen van 44 ‘beloofd’ die in de tweede periode zal worden uitgekeerd, wanneer ze niet meer werken. Er is geen inflatie en ook geen loonstijging. Dat zijn factoren die voor dit probleem niet zo relevant zijn. Dus iedere nieuwe generatie van pensioendeelnemers verdient weer 100 en krijgt een pensioen van 44 toegekend. Laten we dan tenslotte aannemen dat er iedere periode maar één deelnemer is. Dus, iedere periode is er één werkende en één gepensioneerde. Dat wordt alleen maar verondersteld om het rekenen te vergemakkelijken, maar als de lezer er niet blij mee is, mag hij alle getallen vermenigvuldigen met het aantal deelnemers dat hij/zij wenst aan te nemen.

De deelnemer bouwt een pensioen op en betaalt daarvoor in de eerste periode een premie uit haar inkomen van 100. Die premie wordt door haar pensioenfonds belegd en met die premie inclusief het rendement wordt het pensioen van de deelnemer gefinancierd. De beleggers bij het pensioenfonds weten – uit jarenlange ervaring – dat gemiddeld het rendement op belegde premies 10% bedraagt. Je kunt dan eenvoudig uitrekenen dat de premie 40 moet zijn om het toegekende pensioen te kunnen financieren (reken maar na, de pensioenuitkering wordt dan 40 plus 10% van 40 is 40+4=44).

Merk hierbij een belangrijke eigenschap van dit (en ook direct het Nederlandse) pensioenstelsel op: er wordt een gegarandeerd pensioen toegekend (hier 44), maar of de opbrengst op de beleggingen tot dit pensioen leidt, is onzeker. Het probleem is namelijk dat het rendement fluctueert. Soms weten pensioenfondsen een hoog rendement te boeken en soms hebben ze pech en is het rendement laag.

Hoe de aanvullende pensioenen werken: een rekenvoorbeeld

Kijk nu eens naar tabel 1 hieronder. Daar wordt het verloop van het rendement en het vermogen weergegeven over 9 opeenvolgende perioden. Het gemiddelde rendement blijkt inderdaad 10% te zijn, maar het rendement fluctueert van 5% tot 15%.

In periode 0 zijn de premies van de werkende deelnemer (40) belegd door het pensioenfonds. Het pensioenfonds maakt een rendement van 15%. Er waren geen andere reserves uit voorgaande perioden beschikbaar. Het vermogen aan het begin van periode 1 bestaat dan ook alleen uit de in periode 0 ingelegde premies (40) plus het rendement over die premies dat in de voorgaande periode is behaald (15% over 40 geeft 6). Het totale vermogen aan het begin van periode 1 (40+6=46), is beschikbaar voor de financiering van de pensioenaanspraak van de deelnemer die in periode 0 werkte en in periode 1 gepensioneerd.

Overschotten en tekorten verdwijnen vanzelf

Omdat de pensioenaanspraak 44 is en het vermogen is 46, blijft er dus in periode 1 een reserve over van 2. Deze reserve wordt door het pensioenfonds samen met de in periode 1 opgebrachte premies van 40 belegd tegen een rendement van 15%, zodat aan het begin van periode 2 door het hoge rendement in periode 1 het vermogen verder is toegenomen naar 48,3. Er is dus opnieuw genoeg vermogen om de pensioenaanspraak van de deelnemer (44) te financieren.

In periode 2 is het rendement echter gedaald naar 5%, zodat aan het begin van periode 3 het vermogen nog maar gelijk is aan 46,5. Dit is nog steeds genoeg om het pensioen van 44 in periode 3 te financieren. Omdat in periode 3 het rendement echter ook maar 5%, daalt het vermogen in periode 4 verder naar 44,6, nog net genoeg om de pensioenaanspraak van de gepensioneerde  deelnemer in periode 4 te financieren.

In periode 4 en 5 is het rendement echter nog steeds lager dan 10%. Het vermogen blijft daardoor dalen en nu tot onder de 44 in periode 5 en 6. Het pensioen kan daardoor alleen maar gefinancierd worden door een deel van de premie van de werkende deelnemer daarvoor te gebruiken. Uit tabel 1 zien we dat een steeds groter deel van de premie van de werkende gebruikt moet worden om het pensioen van de gepensioneerde te financieren.

Vanaf periode 6 is het rendement op de premies minstens gelijk aan het verwachte rendement. Het vermogen daalt daardoor niet langer en het tekort neemt af, totdat in periode 9 weer een (klein) overschot ontstaat.

Wanneer het niet erg is als het fonds een tekort (overschot) heeft

Wat we kunnen concluderen uit de berekeningen van de bovenstaande tabel 1 is dat als het rendement niet altijd gelijk is aan het verwachte rendement van 10% er tekorten of overschotten kunnen ontstaan. Zolang het ‘echte’ gemiddelde rendement maar gelijk is aan het gemiddelde rendement dat werd verwacht (hier dus 10%), zullen tekorten of overschotten in de loop der tijd vanzelf weer verdwijnen.

Wat we dus ook kunnen concluderen is dat de premie van de jongere deelnemer soms gebruikt moet worden om het pensioen van de oudere deelnemer te financieren. Het aanvullende pensioenstelsel lijkt dan opeens gebruik te moeten maken van het omslagstelsel dat gebruikt wordt bij de AOW. Dat dit nodig is, komt omdat het pensioeninkomen gegarandeerd is (hier 44), maar het rendement op de premie niet.

Luister in dit verband eens wat Marike Knoef, hoogleraar en lid van de zogeheten commissie Dijsselbloem, zegt in het televisieprogramma Hollandse Zaken.

Zij zegt inderdaad dat de premies van jongeren gebruikt moeten worden om de uitkeringen te financieren. De twitteraars die daarop reageren, blijken dit niet te begrijpen: “Hoogleraar Economie en het verschil niet weten tussen AOW en pensioen….” en: “De pensioenpotten zijn gevuld door onszelf. Klopt van geen kanten” en: “Dit is helemaal NIET waar. Pensioen is GEEN omslagstesel. Pensioen wordt NIET betaald met premies van jongeren. Voor pensioen heb jezelf gespaard (…)”. Het is dus WEL waar. Soms lijkt het stelsel van aanvullende pensioenen op een omslagstelsel.

Wat we echter ook kunnen zien is dat dit tekort niet noodzakelijk een probleem is. Hoewel het tekort langere tijd kan blijven bestaan en toenemen, zal na verloop van tijd het tekort vanzelf weer afnemen. Dat geldt evenzeer voor overschotten. Overschotten ontstaan door een hoger dan gemiddeld rendement, zoals in de eerste perioden van bovenstaande tabel 1. Het is echter onvermijdelijk dat hoge rendementen weer zullen verdwijnen. De overschotten verdwijnen dan ook op den duur om wellicht weer plaats te maken voor tijdelijke tekorten.

Een tekort (overschot) is voer voor beleidsmakers

Voor politici en beleidsmakers zijn echter zowel tekorten als overschotten in pensioenfondsen moeilijk te accepteren. De situatie van de Nederlandse pensioenfondsen in jaren 1980 en 1990 komt sterk overeen met de eerste twee perioden van tabel 1. De fondsen beschikten toen over relatief hoge vermogens, zeer tot ongenoegen van de politici. De toenmalige minister van financiën Onno Ruding dreigde toen een vermogensoverschotheffing op pensioenfondsen in te voeren.

De pensioenfondsen konden alleen maar aan de nieuwe heffing ontkomen door de premies van de deelnemers te verlagen. Als we verlaging van de premies in tabel 1 in de eerste perioden hadden ingevoerd om een ‘vermogensoverschot’ te vermijden, was het onvermijdelijke gevolg geweest dat in latere perioden de tekorten navenant groter en wellicht onhoudbaar waren geworden. De pensioenen hadden dan niet meer door premies van werkenden gefinancierd kunnen worden. Het zou dan onvermijdelijk worden de pensioengarantie niet na te komen en/of de premie te verhogen

Bron: mirjamvissers.nl
(met toestemming overgenomen)

De huidige situatie komt nog het meest overeen met wat er in tabel 1 vanaf periode 5 gebeurt. Hoewel de Nederlandse pensioenfondsen de uitkeringen niet uit de premies hoeven te financieren – en in tabel 1 wel – zien sommige bestuurders wel tekorten opdoemen in de al dan niet verre toekomst. De president van DNB, Klaas Knot, wil daarom de pensioengarantie afschaffen, niet alleen van de huidige gepensioneerden, maar ook van de toekomstige gepensioneerden. Waarom, heeft hij een ander soort berekening in zijn hoofd dan de bovenstaande tabel 1? Laten we er eens naar kijken.

Wanneer het wel erg is als het fonds een tekort (overschot) heeft

Keren we weer eens terug naar wat Marike Knoef in het aangehaalde fragment beweert. De premies kunnen niet verhoogd worden door de vergrijzing, zo beweert ze. Door de vergrijzing zijn er minder werkende deelnemers dan vroeger, bij eenzelfde hoeveelheid gepensioneerden. Daardoor zal een gegeven bedrag waarmee de premies verhoogd moeten worden om de pensioenen te kunnen uitbetalen over minder deelnemers verspreid kunnen worden en de premieverhoging ‘te kostbaar’ zijn. Het enige alternatief is dan, volgens Marike Knoef, de uitkering te verlagen.

Er zijn twee vragen hierbij te stellen. Ten eerste, met hoeveel moet de premie verhoogd worden en waarom zou dat te kostbaar zijn? Maar, ten tweede en belangrijker, waarom zouden überhaupt de premies verhoogd en/of de uitkeringen verlaagd moeten worden? Dat zou alleen noodzakelijk zijn als het rendement dat het pensioenfonds gebruikt om de premie te berekenen te hoog is.

Neem bijvoorbeeld aan dat het pensioenfonds opnieuw aanneemt dat het gemiddelde rendement gelijk is aan 10%. De premie wordt dus op 40 gezet bij een pensioengarantie van 44. Na verloop van tijd blijkt het rendement niet gemiddeld 10%, maar 5% te zijn. In onderstaande tabel 2 worden de consequenties voor het vermogen en het tekort uitgerekend van deze onderschatting van het feitelijke rendement.

Uit tabel 2 blijkt dat als het pensioenfonds te optimistisch is over het rendement, het fonds regelrecht op faillissement afrent. In periode 9 kan minder dan de helft van de pensioenen uit het vermogen worden gefinancierd. Het is onverantwoord af te wachten tot de pensioenuitkeringen niet meer gefinancierd kunnen worden, want op dat moment is het pensioenstelsel failliet. De premie en/of de uitkering zullen tijdig op het lagere rendement afgestemd moeten worden.

Zijn de pensioenfondsen te optimistisch?

Als we ons voorbeeld vertalen naar de Nederlandse situatie, is dus de logische vraag: zijn de pensioenfondsen te optimistisch, oftewel schatten zij het rendement op hun belegd vermogen te hoog in? Nog anders geformuleerd: zijn pensioenfondsen zo riskant aan het beleggen dat de pensioenen van toekomstige deelnemers op het spel staat als er niets verandert?

Het antwoord op deze prangende vragen is niet zo makkelijk te geven, omdat het gemiddelde rendement niet een rendement is dat je kunt meten. Dit rendement is namelijk het rendement dat de pensioenfondsen in de toekomst gemiddeld zullen maken. Maar de toekomst is ongewis, de toekomstige rendementen zijn onbekend. Bovendien is wat in het verleden is gebeurd geen garantie voor de toekomst. Dus, als tabel 1 zou voorstellen wat er in de afgelopen perioden is gebeurd, wil dat nog niet zeggen dat in de toekomst hetzelfde zal gebeuren. Het feitelijk gemiddeld rendement kan lager zijn dan 10%. We zagen in tabel 2 dat als we zo kortzichtig zijn met een rendement van 10% te rekenen, terwijl het feitelijk gemiddeld rendement 5% is, het pensioenstelsel op een faillissement afstevent.

Maar andersom is evenmin onwenselijk. Als er gerekend zou worden met een gemiddeld rendement van 5%, terwijl het feitelijk gemiddeld rendement 10% is, ontploft het vermogen van het pensioenfonds (de lezer mag dat zelf uitrekenen). Dat is slecht voor de economie omdat geld dat besteed had kunnen worden uit de economie wordt gehaald. Dat leidt dan juist tot het effect dat Knoef en Knot willen vermijden. Door het grote aanbod van geld – door pensioenfondsen – zal het rendement op het beleggen van dat geld gaan dalen: een klassieke zichzelf waarmakende voorspelling.

Laat het pensioenvermogen niet exploderen

Wat op dit moment in Nederland gebeurt met de pensioenvermogens, lijkt meer op het tweede scenario (exploderend pensioenvermogen) dan op het eerste scenario (instortend pensioenvermogen). Zoals een veertigtal Nederlanders (waaronder schrijver dezes) onlangs in de media per ‘brandbrief’ uitlegden, is het pensioenvermogen langzaam (maar zeker) aan het exploderen. Om een idee te geven van de omvang van dat vermogen, neem eens aan dat er vanaf vandaag geen pensioenpremies meer zouden worden geïnd. Er is dan nog zoveel geld beschikbaar dat de pensioenuitkeringen minstens 50 jaar gegarandeerd kunnen worden! Van een vermogenstekort kunnen we dus niet spreken. Dat komt omdat de feitelijke rendementen van de pensioenfondsen veel hoger zijn dan wat Knoef en Knot gemiddeld verwachten. In de context van onze berekeningen: Knoef en Knot verwachten een gemiddeld rendement van 5%, terwijl het feitelijk huidig rendement 10% is.

Als we (bijna) zeker weten dat het rendement gemiddeld niet lager zal zijn dan 5% en niet hoger dan 10%, dan kunnen we toch als compromis het gemiddelde van 5 en 10% nemen, namelijk 7½%? Dat is wat de ruim 40 Nederlanders in hun brandbrief min of meer voorstelden. We zitten nu boven dit gemiddelde, er is dus geen reden om aan te nemen dat dit compromis tot een spoedige ineenstorting van het pensioenstelsel zou kunnen leiden.

Het alternatief is op de pensioenuitkeringen te korten want premieverhogingen kunnen niet meer (Knoef). Volgens Knot zijn die kortingen noodzakelijk omdat anders huidige jongeren in de toekomst met kortingen op hun pensioeninkomen geconfronteerd gaan worden. Dat is dus nog maar zeer de vraag. Dat geldt alleen als het huidige feitelijke rendement dat de pensioenfondsen met hun beleggingen halen, opeens drastisch zou gaan dalen. Daar ziet het nog niet naar uit, al is dat uiteraard altijd mogelijk. Daarom is het compromis, om onder het feitelijke huidige rendement, maar ook boven het worst-case scenario van het laagts mogelijke rendement te gaan zitten, een goed idee. Mocht de zwarte zwaan van een algehele ineenstorting van de financiële markten weer eens voorbij komen, dan is er voorlopig een buffer om zonder dramatische maatregelen de financiële storm te doorstaan.

Conclusie: korten van pensioenuitkeringen is onwenselijk en onnodig

Het korten van pensioenuitkeringen en het laten oplopen van de pensioenvermogens leidt tot ongewenste economische uitkomsten. Door de oplopende pensioenvermogens wordt onnodig geld uit de economie gehaald. Bestedingen worden daardoor kunstmatig laag gehouden, een deflatoire situatie ontstaat en het rendement op beleggingen gaat dalen. Een situatie die Knoef en Knot juist willen voorkomen!

Het korten van pensioenuitkeringen is ook onnodig, omdat er geen enkel zicht is op toekomstige tekorten in de pensioenfondsen. Die zouden alleen kunnen ontstaan als de rendementen op de beleggingen van de ene dag op de andere in elkaar zouden storten en dan decennia lang zo laag blijven als Knot nu veronderstelt. Dan nog kunnen de pensioenen minstens honderd jaar gefinancierd worden. Het is echter zeer onaannemelijk dat pensioenfondsen honderd jaar lang vrijwel geen rendement op hun beleggingen kunnen maken. Dan moet zich op de planeet een ramp hebben voorgedaan van megaproporties. Maar dan is een pensioenstelsel so-wie-so onnodig.

De arme ouderen zijn de dupe van de vergrijzing

Betalen de huidige niet gepensioneerden, deel uitmakend van de beroepsbevolking (laten we ze kortweg ‘jongeren’ noemen) een veel hogere ‘premie’ dan de jongeren van veertig jaar geleden, zoals vaak beweerd wordt (zie dit handige overzicht van de NOS)? De AOW-uitkeringen worden uit belastingen gefinancierd die deels (maar niet alleen) door jongeren worden opgebracht. Dus, als er (door vergrijzing) relatief meer ouderen zijn, zullen de jongeren hogere belastingen moeten betalen voor de AOW. Het aantal mensen met een AOW-uitkering is nu meer dan drie keer zo hoog als vijftig jaar geleden, terwijl het aantal jongeren in vijftig jaar met minder dan dertig percent is gestegen. Toch zijn de kosten van de AOW nauwelijks hoger dan vijftig jaar geleden. Hoe kan dat?

Hoe de AOW werkt

De huidige AOW-ers hebben zelf, toen ze nog werkten, ook aan de AOW bijgedragen. Je kunt de belastingen (of premies) die ze toen betaalden voor de toenmalige AOW-ers als premies beschouwen voor hun eigen AOW. De hoogte van de premie hangt echter niet af van de AOW die deze generatie zelf gaat ontvangen. Het aantal AOW-ers en de hoogte van de AOW-uitkering tijdens de werkende periode van iedere generatie bepaalt de premie. Je kunt dus niet zomaar zeggen dat de huidige werkenden ‘voor niets’ de huidige AOW-ers onderhouden, want er is een soort wederzijdse overdracht, alleen is die wederzijdsheid indirect.

De AOW wordt in stand gehouden door zich voortdurend herhalende, indirect wederkerige transacties tussen oude en jonge generaties. De jongere (werkende) generatie geeft aan de oude (niet meer werkende) generatie. De oude generatie geeft niets terug aan die jongere generatie, maar heeft zelf wel als jongere generatie gegeven aan de toen oude generatie. Zo geeft iedere jonge generatie aan de oude generatie in de hoop dat de toekomstige jonge generatie aan hen zal geven als ze zelf oud zijn.

Tegenstanders van de AOW verge-lijken deze regeling wel eens met de grootscheepse fraude die Charles Ponzi (zie foto) in 1920 in de VS met beleggingen pleegde. Hij beloofde investeerders in zijn fonds een hoog rendement. Hij zei er niet bij dat hij dat rendement probeerde te financieren met de inleg van nieuwe inves-teerders. In feite werkt de AOW ook als een Ponzi-systeem. Er is echter nog geen overheid voor fraude met de AOW aangeklaagd. Hoe komen deze AOW-‘transacties’ tot stand en waarom kunnen die transacties generaties lang doorgaan?

Verklaring 1 voor de AOW: politieke macht van ouderen

Het is vooral verbazend dat de AOW bestaat, omdat het – in normale tijden – voor de meeste mensen voordeliger is zelf te sparen dan om aan de AOW mee te doen. Stel dat je de belasting die je voor de AOW moet betalen in een beleggingsfonds zou stoppen en neem aan dat er niets abnormaals gebeurt, zoals een grote recessie of een wereldoorlog. Dan kun je met deze belegging een hoger pensioenbedrag opbouwen dan de AOW-uitkering (een simpel bewijs is op aanvraag verkrijgbaar, de aanname dat er niets abnormaals gebeurt is overigens wel cruciaal, zoals we snel zullen zien).

Als de AOW financieel niet aantrekkelijk is, waarom zijn we er dan mee begonnen? Toen ik een jong econoom was, dacht ik dat politieke beslissingen vooral door eigenbelang worden gemotiveerd. Ouderen hebben er financieel belang bij dat de AOW wordt ingevoerd. Zij krijgen immers direct bij invoering, of relatief snel na invoering recht op AOW en hebben daar niet of nauwelijks belasting voor betaald. Dus zijn het de ouderen die door hun politieke macht ervoor gezorgd hebben dat de AOW werd ingevoerd.

Maar we hebben toch een parlementair systeem, waarbij alleen als er een meerderheid voor is, een voorstel wordt aangenomen? Waren ouderen dan ook in het parlement in de meerderheid, bijvoorbeeld in 1956 toen de AOW in Nederland wet werd? Inderdaad, de gemiddelde leeftijd in het parlement is altijd vrij hoog geweest. De meerderheid van de parlementariërs is door de jaren heen ouder dan 45 jaar en zal daarom voor de invoering van de AOW zijn. Ze worden er namelijk zelf beter van.

Verklaring 2 voor de AOW: zonder AOW zouden ouderen in een nachtmerrie leven

Natuurlijk was ik geen ouderen-basher. Ouderen zijn er niet altijd op uit zich te verrijken ten koste van hun kinderen. Misschien is het eerder omgekeerd. Mijn moeder verzuchtte vaak dat “een moeder wel voor tien kinderen kan zorgen, maar tien kinderen niet voor één moeder”. Ofte wel, ouderen maken zich bezorgd om (hun) kinderen, maar het omgekeerde is vaak niet waar.

Wat dat betekent voor ouderen, als de economie volledig in het ongerede is geraakt, zoals tijdens de Grote Depressie van de jaren 1930, werd in 1985 uitgesproken door toen een van de belangrijkste Democratische politici, Thomas O’Neill: “Het leven voor de ouderen is gevuld met onzekerheid en afhankelijkheid. Het is een nachtmerrie. Wanneer je oud wordt, heb je geen inkomen en geen hoop.” (geciteerd uit een paper van Carolyn Weaver die juist niet pro-AOW is). Dramatische gebeurtenissen, zoals de Grote Depressie en WOII daarna, beroven ouderen van hun spaargelden en veroordelen ze tot een leven in armoede. Zelfs egoïstische kinderen willen dit niet toestaan. Ze betalen liever een betrekkelijk lage belasting voor de AOW dan steeds maar weer bedelende ouderen tegen te komen.

De AOW is dus misschien niet ingevoerd omdat politiek machtige ouderen dat hebben doorgedrukt, maar omdat jongeren armoede onder de ouderen wilden voorkomen of bestrijden. De AOW kan zelfs de enige manier zijn om ouderen te onderhouden, zoals Samuelson laat zien in zijn onder economen beroemde analyse. Of misschien speelden beide motieven (politieke macht ouderen, altruïsme van de jongeren) wel een rol. Het valt niet precies te bepalen.

De betaalbaarheid van de AOW

Oorspronkelijk heerste in Nederland het idee dat een overheids-pensioen alleen voor de allerarmsten moest zijn. Voor hen was het leven tijdens de oude dag een nachtmerrie omdat zij dan versleten en zonder inkomen zijn. De andere ouderen kunnen een beroep doen op hun eigen middelen, of wellicht hun eigen kinderen.

Dit idee werd echter later verlaten. Politici waren bang dat een exclusieve regeling voor alleen de arme ouderen te weinig gesteund zou worden door de bevolking. Daarom is aan de OuderdomsWet de A van algemeen aan de voorkant geplakt. Iedere oudere krijgt een AOW-uitkering en, omgekeerd, iedere jongere betaalt een AOW-premie om die uitkeringen te financieren. De invoering van de AOW in Nederland werd breed gesteund en vrij lange tijd stond de AOW niet ter discussie.

In onderstaande grafiek zien we de bruto AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen – voorgesteld door het bruto binnenlands product, bbp. In de grafiek is dat percentage aangeduid met AOW % bbp, laten we dit percentage kortweg het AOW-aandeel noemen. Het AOW-aandeel is het beslag dat de AOW op het nationaal inkomen legt. We zouden bij benadering kunnen zeggen dat dit AOW-aandeel aangeeft hoe veel werkenden van hun inkomen moeten opgeven voor de financiering van de AOW-uitkeringen (dat is een benadering omdat ook AOW-ers zelf belasting betalen om hun eigen AOW te financieren).

In de grafiek geven de oranje kolommen het AOW-aandeel weer voor een aantal jaren van 1970 tot 2018, berekend met officiële CBS-gegevens. Het eerste dat opvalt dat de kosten van de AOW, weergegeven door het AOW-aandeel, niet uit de hand zijn gelopen in deze periode. In 2018, bijvoorbeeld, was het AOW-aandeel lager dan in 1990.

De huidige ouderen droegen het meeste af voor de AOW

We zien verder dat in tien jaar tijd van 1970 tot 1980 dit aandeel toenam van 4,1% tot 5,3%. Dit was een gevolg van de toename van het aantal mensen met een AOW-uitkering (de zwarte curve), maar ook door een (relatieve) verhoging van de AOW-uitkering. Als de stijging ongeveer in hetzelfde tempo zou zijn doorgegaan, zou in 1990 het AOW-aandeel 6,5% zijn geweest, maar het was 5,5%, terwijl de vergrijzing (= relatieve toename aantal AOW-ers) in de jaren 1980-1990 sneller ging dan in de jaren 1970-1980.

De oorzaak van de afname van de stijging van het AOW-aandeel kon dus niet anders zijn dan een relatieve verlaging van de AOW-uitkering: oftewel het nationaal inkomen steeg sneller dan de AOW-uitkering. Na 1990 zien we tot 2008 hetzelfde patroon: de vergrijzing blijft aanhouden (aantal AOW-ers stijgt), maar het AOW-aandeel daalt eerder dan dat het toeneemt.

We lezen dus uit de grafiek dat diegenen die werkten in de jaren 1980 en 1990 de hoogste ‘premies’ betaalden voor de AOW. Deze mensen betaalden daarnaast ook nog VUT-premies, zodat de toenmalige ouderen eerder met pensioen konden. Veel van deze betalers van de VUT-premie konden of kunnen echter zelf niet met vervroegd pensioen: de VUT was inmiddels afgeschaft. Deze generatie, die voor een groot deel al gepensioneerd is, werd dus twee maal zwaar belast. Ten eerste betaalden ze een hoge belasting voor de AOW en ten tweede hebben ze hun hele werkende leven de VUT-premie betaald, zonder er een VUT voor terug te krijgen. Eigenlijk is deze generatie driedubbel, of misschien wel vierdubbel belast, want ze kregen ook nog te maken met een verhoging van de pensioenleeftijd (zie hieronder) en een korting op hun (aanvullende) pensioeninkomen (daarover later meer).

De AOW is ‘stiekem’ verlaagd

In de grafiek hier boven zien we ook dat de generaties die deze eeuw de arbeidsmarkt opkwamen in het eerste decennium betrekkelijk weinig hoefden bij te dragen aan de AOW. Dat is raadselachtig omdat in het begin van de jaren 1980 berichten opdoken van een toenemende onbetaalbaarheid van de AOW: de premies zouden verdubbeld moeten worden bij gelijkblijvende AOW-uitkeringen (zie hier). Desondanks leken grote ingrepen in de AOW uit te blijven. De AOW had de allure van een onaantastbare voorziening. Zo was in 1994 alleen al de aankondiging van het CDA dat zij de AOW-uitkering wilde bevriezen, voldoende reden voor een van de grootste verkiezings-nederlagen in de vaderlandse geschiedenis.

Toch hield de AOW-uitkering geen gelijke tred met de welvaartsgroei. Alleen, niemand had dat door, welllicht zelfs de verantwoordelijke politici niet. Vanaf 1980 bleef de AOW-uitkering beetje bij beetje achter op de gemiddelde welvaart. Hoe zat het dan met de macht van de ouderen en/of de bezorgdheid van de jongeren om de ouderen? Was zowel die macht als die bezorgdheid dan toch niet sterk genoeg om de AOW-uitkering welvaartsvast te houden?

Bij het begin van de kredietcrisis

Aan het eind van het eerste decennium van deze eeuw waaide een kredietcrisis van de VS naar Nederland over. Een kredietcrisis brengt besparingen in gevaar: vermogens verdampen doordat de waarde van de aandelen door het gebrek aan vertrouwen in de economie sterk daalt. Veel besparingen zijn (verplicht!) belegd in pensioenfondsen die de gelden voor een groot deel in aandelen beleggen. Als de waarde van besparingen daalt, kun je armoede voorkomen door de AOW-uitkering minstens constant te houden of liever zelfs te verhogen. Dat gebeurde, zoals we zagen, in de VS. Als reactie op de grote depressie in de jaren 1930 werd daar toen een AOW voor ouderen ingevoerd. In Nederland werd, als reactie op de armoede die WOII had gebracht, eerst een noodvoorziening voor ouderen en later de AOW ingevoerd.

Maar de kredietcrisis leidde niet tot een grotere steun voor de AOW in Nederland. Integendeel, de liefde voor de AOW leek plotseling over. De politiek vond de AOW onbetaalbaar worden en om de AOW te ‘redden’ moest de AOW-leeftijd verhoogd worden. Kijken we weer naar de boven weergegeven grafiek met het AOW-aandeel. We zien dat het AOW-aandeel in 2009 (nog geen 4,1%) meer dan een procentpunt lager was dan in de jaren 1980 (ongeveer 5,4%), toen de eerste golf van onrust over de betaalbaarheid van de AOW was ontstaan.

Kijken we dan naar de jaren na 2008, toen de kredietcrisis in Europa toesloeg. Inderdaad loopt dan het AOW-aandeel op van 4,1% in 2008 tot 5,2% in 2016. Was dat een gevolg van de vergrijzing? Nee, zeker niet. De oorzaak was dat de kredietcrisis tot een daling van het nationaal inkomen leidde, terwijl de AOW-uitkering wel, hoewel matig, steeg, zie hier. Toen vanaf 2015 de economische groei weer begon aan te trekken, daalde het AOW-aandeel weer, als gebruikelijk.

De AOW was zelfs niet meer te redden!

Toen de AOW het hardst nodig was, namelijk bij het begin van de kredietcrisis in 2009, was de AOW niet meer te redden. Politici als Donner en Klaver beweerden dat de AOW een te groot beroep op de bereidheid van jongeren deed de AOW-premie af te dragen. Die bereidheid zou verdwijnen bij een verdere stijging van het AOW-aandeel. Die stijging is er dus helemaal niet (zie grafiek) maar inmiddels zal de AOW-leeftijd langzaam maar zeker stijgen tot 70 jaar in 2050.

Voor veel arme ouderen, die er nu, maar zeker ook in 2050 zullen zijn, is daarmee de AOW om twee redenen nog maar van weinig waarde. De eerste reden is dat het juist voor deze bejaarden moeilijk is op een gezonde manier de AOW-leeftijd te halen. Hoe hoger de AOW-leeftijd des te moeilijker dat zal zijn. De tweede reden is dat deze groep van bejaarden veel minder oud wordt dan de ‘gemiddelde’ bejaarde. Zij profiteren dus ook veel minder van de AOW dan de gemiddelde bejaarde: hoe hoger de AOW-leeftijd, des te schever dat profijt wordt. Deze groep betaalt tijdens hun werkende leven wel heel lang belasting voor de AOW, want zij beginnen jong met werken, maar krijgen daar weinig voor terug, want zij gaan relatief jong dood.

Conclusie: arme ouderen van nu zijn de dupe

We hebben gezien dat de ouderen van nu tijdens hun werkende leven met de hoogste kosten voor de AOW werden geconfronteerd. Ook hebben zij tijdens hun hele werkende leven VUT-premie betaald (de VUT werd begin jaren 1980 ingevoerd), maar daar niets voor terug gekregen (de VUT werd rond 2005 afgeschaft). Voor de armere ouderen onder de huidige ouderen komt daar nog eens bij dat de hogere AOW-leeftijd vooral voor hen zwaar weegt. Door hun relatief lage levensverwachting krijgen zij veel minder profijt van de AOW dan hun leeftijdsgenoten in betere doen.

De verhoging van de AOW-leeftijd die in 2011 werd ingevoerd, heeft dus vooral armere ouderen van nu getroffen. Als de AOW al onbetaalbaar dreigde te worden, wordt de betaalbaarheid vooral over de ruggen van deze arme ouderen gegarandeerd.

Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren

De AOW-leeftijd van 65 jaar was lange tijd onwrikbaar in Nederland. De eerste kras kwam in het begin van de jaren 80 met de vervroegde-uittredingsregelingen (VUT). Hierdoor konden veel mensen al rond hun 60e jaar met pensioen. Maar 10 jaar geleden begon de slinger de andere kant op te zwaaien: voor jongeren is nu de verwachte AOW-leeftijd 71 jaar, of hoger. De huidige ouderen gaan al veel later met pensioen dan 10 jaar geleden, maar veel ouderen die werkeloos zijn geworden kunnen nauwelijks een nieuwe baan vinden. Mensen in zware beroepen, daarentegen, hebben moeite gezond de pensioenleeftijd te halen. Het lijkt aannemelijk dat deze verschijnselen (hoge werkloosheid onder ouderen, problemen voor ouderen in zware beroepen) met de hogere AOW-leeftijd te maken hebben. Een basisinkomen voor ouderen dat op 65-jarige leeftijd begint, zou een beter alternatief zijn dan het voortdurend verhogen van de AOW-leeftijd en zou, als het meezit, zelfs geld kunnen opbrengen. “Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren” verder lezen

Het ‘spookcijfer’ van premier Rutte dat het pensioenakkoord deed mislukken

De onderhandelingen over het pensioenakkoord dat de sociale partners, werkgevers en werknemers, met de regering wilde sluiten zijn in november 2018 mislukt. De FNV kreeg de schuld, zie nu.nl. Het aandeel van de regering in zo’n akkoord zou, onder meer, het deels terug draaien van de verhoging van de AOW-leeftijd zijn. Dat kostte volgens premier Rutte 6 miljard euro, structureel en direct te voldoen. Waar kwam die 6 miljard euro vandaan? Wie had dat berekend? Het was een spookcijfer. Lees daarover op de economenwebsite Me Judice dat die 6 miljard euro net zo goed veel lager had kunnen zijn, op zijn hoogst zelfs 4 miljard euro. Hieronder geef ik voor de geïnteresseerde lezer de gedetailleerde berekeningen voor het stuk in Me Judice. “Het ‘spookcijfer’ van premier Rutte dat het pensioenakkoord deed mislukken” verder lezen

Met quasi-berekeningen schept het CPB een generatiekloof

Als de AOW-leeftijd op 66 jaar wordt bevroren, in plaats van die te laten stijgen tot 67 jaar en verder, dan is dat potverteren op kosten van de jongeren, zo meldde De Volkskrant. De pensioenpot zal door dit soort maatregelen eerder leeg raken. Hoe weet de krant dat? Ik vermoed door berekeningen van het CPB. Dit instituut waarschuwde diverse malen voor de onhoudbaarheid van de AOW en creëerde zo een kunstmatige oud-jong tegenstelling en tevens het excuus voor de afbraak van de AOW. “Met quasi-berekeningen schept het CPB een generatiekloof” verder lezen

Het CPB lijdt aan AOW-leeftijdskramp

Over de kosten van de AOW in 2060 heb ik afgelopen voorjaar flink wart buikkrampen gehad. Samen met David Hollanders had ik laten zien dat het CPB stelselmatig de toekomstige AOW-uitgaven overschat, omdat het CPB aanneemt dat de AOW-uitkering net zo hard of zelfs harder stijgt dan de productiviteitsgroei. Dat is de afgelopen 30 tot 40 jaar niet het geval geweest en als dat de komende 40 jaar ook niet het geval is, zullen de AOW-uitgaven veel lager zijn dan het CPB heeft uitgerekend: de AOW-uitgaven zullen dan een steeds kleiner deel van het nationaal inkomen in beslag nemen. Behalve dat het CPB de AOW-uitkering te hoog inschatte, ging ze ook uit van de veronderstelling dat bij een verhoging van de AOW-leeftijd ouderen makkelijker aan een baan zouden kunnen komen. Ook dat is een vrij zonderlinge aanname die op geen enkele wijze door de feitelijke ontwikkeling wordt gestaafd.

“Het CPB lijdt aan AOW-leeftijdskramp” verder lezen

Vergrijzing met de constante arrangementen van het CPB

Dit voorjaar kwam de laatste vergrijzingsstudie van het CPB uit in een lange rij van soortgelijke studies (achtereenvolgens uitgebracht in 1998, 2000, 2006, 2010 en 2014). Al die studies gingen over de vraag of het mogelijk zou zijn in de toekomst in dezelfde mate van dezelfde collectieve voorzieningen te genieten bij gelijkblijvende belastingtarieven. De vraag is wat onder ‘dezelfde mate’ verstaan moet worden. Neem de AOW. Volgens het CPB is in dezelfde mate genieten hier dat de AOW-uitkering even hard stijgt als de verdiende lonen. Dit is een aanname die het CPB steevast maakte, maar die vrijwel nooit opgeld deed: de AOW-uitkering kwam altijd lager uit dan voorspeld.

“Vergrijzing met de constante arrangementen van het CPB” verder lezen

Paul Samuelson (1915-2009): uitvinder van de AOW?

Paul Samuelson is volgens normen van de economische professie een van de grootste economen van de 20e eeuw met bijdragen op vrijwel alle deeldisciplines van de economie. Zo heeft hij het Samuelson-Stolper theorema (internationale handel) op zijn naam staan; hij heeft het overlappende-generatie model gepopulariseerd onder economen; hij heeft de voorwaarden voor Pareto-optimaal aanbod van collectieve goederen afgeleid (veelal de Samuelson-voorwaarde genoemd). Deze en andere bijdragen aan de economische wetenschap zijn gebaseerd op een kernachtige wiskundige formulering van een economisch idee. “Paul Samuelson (1915-2009): uitvinder van de AOW?” verder lezen