… maar heeft zijn ministeriële verleden niet mee

Bron: mirjamvissers.nl
(met toestemming overgenomen)

Onlangs hield de Kamer een eerste commissiedebat met de kersverse minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, Hugo de Jonge. Zo’n minister hebben we in Nederland meer dan tien jaar niet gehad. want het Rijk had zichzelf wat het bouwen van woningen betreft geen actieve rol meer toebedeeld.

De kersverse minister wil in de volkshuisvesting minder markt en meer regie. We moeten hier wel een beetje flauw gaan doen en verwijzen naar zijn vorige baan waar hij hetzelfde had kunnen zeggen en ook gezegd heeft. Ik heb hem minstens twee keer tips hierover gegeven, maar hij leest natuurlijk mijn blog niet. In ieder geval lijkt het er niet op dat hij iets aan de marktwerking in de zorg gedaan heeft. De regie in de gedecentraliseerde zorg heeft hij zeker niet teruggenomen. Maar goed, misschien was hij te druk met virussen vangen. Bovendien, nieuwe ronde, nieuwe kansen. En hier kan hij dan alvast wat recepten voor de falende woningmarkt tot zich nemen.

De minister spreekt over een grondrecht op wonen

Luisteren we naar de minister: “Ik heb eerlijk gezegd heel veel herkenning gehoord in de plaatsbepalingen en in de richting die u kiest. Het aanhalen van artikel 22 van de Grondwet, de grondwettelijke opdracht die we hebben, wonen als grondrecht en als voorwerp van zorg der regering.”  

Inderdaad, de Grondwet zegt dat de overheid een taak heeft wat het aanbieden van woningen betreft: “Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid” (artikel 22, lid 2). Met deze omschrijving kunnen we echter alle kanten op, dat wil zeggen, ook de kant die de landelijke politici misschien niet bedoelden.

Wij burgers weten bijvoorbeeld niet wat ‘voorwerp van zorg’ precies betekent. Verder mogen wij er als burger naar raden wanneer er ‘voldoende woongelegenheid’ is. Het grondwetsartikel zegt ook niet dat iedereen een ‘recht op wonen’ heeft. De minister schijnt dat wel te denken. Het lijkt er dus nogal op dat De Jonge de Grondwet heel strikt interpreteert. Daarmee kan hij natuurlijk zichzelf nog wel eens dwars zitten als wij later, zeg over drie jaar, de resultaten van zijn beleid op een rijtje gaan zetten. Maar het kan natuurlijk ook gewoon ‘cheap talk’ zijn van de minister. Wat opgetekend staat in een “conceptverslag commissiedebat” van de Kamer verplicht hem misschien tot niets.  

De minister, de markt en het bouwvolume

Hoge bouwidealen, bron: unsplash.com

Wij luisteren verder naar de minister: “We hebben te lang dat geloof in de markt gehad om voor onze volkshuisvestelijke vragen een oplossing te bieden. Er is behoefte aan regie: het herwinnen, hernemen van de publieke ruimte.

Die schaarste noodzaakt om als overheid beschermender te zijn, bijvoorbeeld in de richting van huurders (…) en een enorme aanmoediging om de woningbouwproductie op te voeren, maar daar tegelijkertijd bij te zeggen dat wonen méér is dan woningen neerzetten. Het gaat eigenlijk over gemeenschappen bouwen.”

Dat klinkt alweer mooi. En inderdaad, als hij als minister huurbescherming wil geven, dan kan dat. Daar gaat hij over. Maar huizen bouwen? Jazeker, het coalitieakkoord staat vol ambities op dat punt.

Het coalitieakkoord over de woningbouw  

Laten we in het kort voornemens van deze coalitie over de woningbouw de revue laten passeren:

“We versnellen de woningbouw tot rond de 100.000 woningen per jaar.

We maken bindende prestatieafspraken met corporaties.

Speciale aandacht gaat uit naar de bouw van woningen voor starters, senioren en middeninkomens.

We komen met een hernieuwde Nationale Woon- en Bouwagenda. Hierin komen afspraken over het aantal te bouwen woningen en de randvoorwaarden voor de bouw, zoals capaciteit voor vergunningverlening en voldoende bouwpersoneel.

We bouwen in heel Nederland, zowel binnen- als buitenstedelijk.”

Het Rijk had het bouwen toch afgestoten?

We bouwen dit en we bouwen dat, we doen dit en we doen dat. We, we, we. Maar we (= het Rijk) heeft daar de afgelopen jaren niets aan gedaan. Integendeel, de verantwoordelijkheid voor bouwen, bouwen, bouwen is via de Woningwet – die in oorspronkelijke vorm van 2015 dateert, per 1 januari 2022 gewijzigd – naar de gemeenten en de woningcorporaties verschoven.

De woningcorporaties bouwen en beheren sociale-huurwoningen en verhuren die aan mensen met een laag inkomen. Verder dragen zij bij aan het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Die bijdragen worden vastgelegd in jaarlijkse prestatieafspraken met de gemeenten. Die afspraken kunnen gaan, onder meer, over nieuwbouw van sociale-huurwoningen, de gewenste ontwikkeling van de woningvoorraad en de leefbaarheid in wijken.

De gemeenten moeten daar tegenover een ‘woonvisie’ formuleren en bestemmingsplannen vaststellen. Bestemmingsplannen zijn bepalend voor het aantal en de soort woningen die er gebouwd kunnen worden in een gemeente.

Gemeenten kunnen een doelgroepenverordening sociale woningbouw invoeren. Met zo’n verordening kan een gemeente voorwaarden aan sociale huur- en koopwoningen stellen in bestemmingsplannen. De gemeente kan het voor jonge starters bijvoorbeeld mogelijk maken een goedkope woning te kopen. Gemeenten kunnen in zo’n verordening ook vastleggen dat voor een periode van minimaal één en maximaal tien jaar de bestemde sociale-koopwoningen niet voor de ‘hoofdprijs’ verkocht kunnen worden. Dat voorkomt dat toekomstige starters alsnog van de goedkope woningmarkt worden verdrongen.

Kortom, de wetgever heeft zichzelf niet een taak bij het woningaanbod gegeven (zie dit overzichtelijke plaatje). Gemeenten bouwen, of liever, zij laten bouwen door woningcorporaties of door projectontwikkelaars. Het Rijk bouwt niet en laat ook niet bouwen.

Wat parlementariërs weten over de woningwet

Weten de heren en dames parlementariërs dat allemaal? Laten we eens twee sprekers tijdens dit debat aan het woord laten. De eerste is Sandra Beckerman van de SP:

Hoeveel kennis is hier opgeslagen?
Bron: commons.wikimedia.org

De gemiddelde verkoopprijs was in het laatste kwartaal €438.000. Waanzinnig! Wat kiest het kabinet? (…) Wilt u een minimumpercentage van bijvoorbeeld 35% of 40% sociale huur garanderen? Terwijl de wachtlijsten voor sociale huurwoningen op veel plekken vijftien jaar of langer zijn, kunt u toch niet werkelijk van plan zijn om massaal sociale huurwoningen te verkopen? Laat u de VVD weer winnen?

Twee gaten in de kennis van mevrouw Beckerman. Ten eerste, een minimumpercentage van sociale woningbouw in woningbouwprojecten kan het Rijk helemaal niet opleggen. Gemeenten kunnen dat wel doen, maar hebben daar meestal wel de hulp van projectontwikkelaars voor nodig. Die staan niet te trappelen om goedkope, niet erg winstgevende woningen te bouwen. Ten tweede, het Rijk verkoopt geen sociale huurwoningen. Dat doen woningcorporaties.

Dan nog een pareltje van Jaco Geurts van het CDA:

Het oplossen van de wooncrisis (…) overstijgt het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De vragen die ik daarbij heb, zijn de volgende. Hoe worden de taken verdeeld tussen de ministeries en de bewindspersonen? En hoe gaat deze minister ervoor zorgen dat hij die spilfunctie krijgt binnen dit geheel?”

De heer Geurts ziet wellicht zijn partijgenoot Wopke Hoekstra van Buitenlandse Zaken zelfs over de grens huizen bouwen. Of hij ziet zijn partijgenoot minister Hanke Bruins Slot de woningbouw op de Nederlandse Antillen bevorderen.

Hugo de Jonge gaat de woningwet ontmantelen

Kennen de heren en dames parlementariërs de woningwet niet? Natuurlijk kennen ze die. Die woningwet zou hen eigenlijk de mond moeten snoeren over dit onderwerp. Maar het is voor Kamerleden natuurlijk niet prettig te erkennen dat zij een probleem niet kunnen oplossen. Dus vragen ze om regie. Laten we maar weer even Hugo de Jonge beluisteren over regie. Luister:

(…) in de hele decentralisatie van het woonbeleid was er (…) het geloof (…) dat de optelsom van gedecentraliseerde keuzes ook daadwerkelijk een antwoord zou kunnen leveren. (…) Het is natuurlijk heel makkelijk voorstelbaar dat dat niet zo is.”

Dat had de wetgever zich misschien eerder kunnen bedenken: als je decentraliseert, krijg je misschien niet een optimaal resultaat (een juist aantal woningen voor precies de juiste mensen op precies de juiste plaatsen). Dus, de woningwet, nog niet eens zo lang van kracht, moet ontmanteld worden en de regering moet regie kunnen voeren “op de daadwerkelijk neergezette aantallen woningen”.

Kortom, regie voeren betekent eigenlijk gewoon: de opdracht die we met elkaar hebben op het niveau van Nederland als geheel vertalen naar de provincies en vertalen naar individuele keuzes van gemeenten.

Wie bouwt hier nu eigenlijk?
Bron: unsplash.com

Nu zagen we dat gemeenten afspraken maken met woningcorporaties over het aantal te bouwen sociale woningen. Maar ook dat mag niet meer van de minister. Hij wil zelf afspraken met de woningcorporaties maken.

Gemeenten en wooncorporaties bepalen dus niet langer het aantal woningen, maar de minister, uiteraard in opdracht van de Kamer. De woningwet zal rigoureus herschreven moeten worden. Hoe lang gaat dit duren? Hij zal wel heel wat sneller dan in zijn vorige ministerschap moeten opereren. In het terugnemen van de regie in de (gedecentraliseerde) zorg was de snelheid immers precies 0.   


0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.