Bevolkingsgroei: goed of slecht voor de economie?

Volgens de ‘neo-klassieke’ economische groeitheorie van Solow (1956) is bevolkingsgroei goed voor groei. Hoe meer mensen er zijn, des te meer er gespaard wordt en des te meer geld beschikbaar is voor investeringen in kapitaal. Gooien we er dan ook nog een sausje ‘nieuwe groeitheorie’ overheen, volgens welke er in nieuw kapitaal nieuwe ideeën verwerkt zijn die de economie nog beter doen functioneren. Dan zal een snel groeiende bevolking de welvaart van iedereen nog meer doen toenemen. Hoe harder de bevolking groeit, des te meer kapitaal er geïnvesteerd wordt en dus ook des te meer nieuwe ideeën gebruikt kunnen worden. De economie en de welvaart zullen daardoor (des te harder) groeien. Dat is de theorie in een notendop, maar de ‘echte’ oude theorie, namelijk die van de klassieken in de 18e en 19e eeuw, dacht heel anders over de gevolgen van bevolkingsgroei. Bevolkingsgroei zou alleen maar leiden tot hongersnoden en massasterfte.

Thomas Malthus: arbeiders zijn gedoemd van honger om te komen

Thomas Malthus (1766-1834) was een van de eerste economen die iets heeft gezegd over bevolkingsgroei. Hij was 32 jaar oud toen zijn boek werd gepubliceerd dat hem (tot op de dag van vandaag) onsterfelijk zou maken. Hij constateerde dat de arbeidende klasse, in zijn tijd grotendeels landarbeiders, hoewel de industriële revolutie op stoom begon te komen, veel meer kinderen kregen dan de rijkeren in zijn maatschappij. Het hoge aantal kinderen onder de landarbeiders leidde volgens Malthus tot een permanente staat van armoede en hongersnood. Zijn argument is met een eenvoudig plaatje samen te vatten (zie plaatje 1).

De dalende rode curve is de extra productie als gevolg van het op de markt komen van extra landarbeiders. Dus als het totaal aantal landarbeiders gelijk is aan L in plaatje 1, dan is de extra productie die men krijgt als een landarbeider aan L zou worden toegevoegd gelijk aan w. Dit zogenaamde marginale product van arbeid (MPA) daalt. Dat komt omdat als er meer landarbeiders op de bestaande grond worden ingezet, ze elkaar meer en meer in de weg beginnen te lopen. Daardoor zal de extra productie van arbeider tot arbeider afnemen. Dit argument gaat er vanuit dat de hoeveelheid landbouwgrond die gebruikt wordt, gegeven is, maar het argument gaat ook op als er nog braak liggende grond beschikbaar is. In dat geval mag je aannemen dat de nog niet in gebruik genomen grond minder vruchtbaar is dan de grond die wel in gebruik is genomen. Ook dan zal dus als het aantal landarbeiders toeneemt, het MPA dalen, omdat deze op minder vruchtbare grond moeten werken.

Het volgende punt dat we dan moeten begrijpen is dat alle landarbeiders het MPA betaald krijgen als hun loon. Waarom is dat? De totale productie van alle landarbeiders te zamen is immers hoger dan het MPA. Als het totale aantal landarbeiders gelijk is aan L in plaatje 1, dan is de totale productie gelijk aan de oppervlakte 0ABL. Bij die omvang van de totale productie lijkt het dan ook redelijk dat de landarbeiders meer krijgen dan het MPA. De landeigenaar zal het daar echter niet mee eens zijn. Zijn argument zou ongeveer als volgt zijn. Als ik alle landarbeiders meer betaal dan het MPA, betekent dat dat ik op de laatste toegevoegde landarbeiders verlies lijd. Voor hen geldt immers dat wat zij toevoegen aan de productie (het MPA) lager is dan het loon dat zij krijgen. Die laatste landarbeiders kan ik dus beter ontslaan. Het gevolg is dat het MPA toeneemt, totdat het loon wel gelijk is aan het MPA. We weten nu dus dat als er L landarbeiders zijn, de totale productie gelijk is aan 0ABL en alle landarbeiders een loon krijgen dat gelijk is aan het MPA. In plaatje 1 is dat loon aangegeven met w. De landeigenaar betaalt dus in totaal wL aan loon en houdt zelf 0ABL – wL als winst over.

Stel nu eens dat het loon w voor een loonarbeider en zijn gezin precies voldoende is om te overleven. Volgens Malthus krijgt de arbeidende klasse veel kinderen waardoor het aantal landarbeiders in de loop der tijd toeneemt. Het aantal arbeiders stijgt dan van L naar bijvoorbeeld L1 in plaatje 1. Als het aantal landarbeiders echter toeneemt, daalt het MPA en dus ook hun loon. In plaatje 1 daalt dat naar w1. Maar dat loon ligt onder het bestaansminimum. Er zullen dus noodzakelijkerwijs hongersnoden gaan ontstaan en door (extreem hoge) sterftecijfers zal de bevolking van landarbeiders gaan dalen tot de omvang L weer is bereikt. Dan verdienen landarbeiders weer precies genoeg om hun gezin in leven te houden. Maar het betekent ook het begin van een nieuwe ronde van een groeiende bevolking van landarbeiders, te lage lonen, hongersnoden en hoge sterftecijfers.

De conclusie van Malthus was dus inderdaad dat de werkende klasse voortdurend op het randje van de afgrond balanceerde door zijn verlangen veel kinderen te krijgen. Maar deze conclusie is, zoals we met eigen ogen kunnen aanschouwen, niet bewaarheid. Er zijn weliswaar in de afgelopen eeuwen op diverse plaatsen in de wereld hongersnoden geweest soms met massasterfte als gevolg, maar in het geboorteland van Malthus zelf, Engeland, kwam hongersnood niet meer voor.

Hongersnood in Ierland

Alleen de hongersnood in Ierland van 1845 tot 1850, na de dood van Malthus, leek een vrijwel exacte bevestiging van de voorspellingen van Malthus. Door hongersnood onder de arme Ierse boerenbevolking en emigratie naar de VS nam de Ierse bevolking in een paar jaar tijd met ruim 3 miljoen mensen af. De Ierse hongersnood leek een bevestiging van de theorie van Malthus, maar was het niet. In feite was deze hongersnood niet een gevolg van uitbundige bevolkingsgroei, maar van een ineenstorting van het productieproces door de aardappelziekte. Met het gegeven aantal landarbeiders kon daardoor minder geproduceerd worden en daalde ook het loon voor de landarbeiders tot onder het bestaansminimum.

In plaatje 2 leidt de aardappelziekte, die Ierland trof, tot een daling van de MPA-curve naar MPA2. Bij een gegeven aantal landarbeiders L zal het loon dalen naar w2 dat onder het bestaansminimum ligt. Hongersnood en sterfte of emigratie zijn dan het onvermijdelijke gevolg: de bevolking zal moeten afnemen. Pas als de bevolking de omvang L2 zal hebben zal er bij de gedaalde productiemogelijkheden voor de boerenbevolking weer precies genoeg inkomen worden verdiend om te overleven.

De oorzaak van hongersnood in Ierland in de 19e eeuw was eigenlijk een voorafschaduwing van wat er in de landbouw in het Engeland van de tijd van Malthus al gaande was, maar dan omgekeerd. Het productieproces in de landbouwsector zou niet door een exogene factor (in het geval van Ierland de aardappelziekte) ineenschrompelen, maar door een andere exogene factor juist expanderen. Die exogene factor was een combinatie van technische vernieuwingen, zoals verbeterde ploegen, een verandering in gewasrotatie en een nieuw systeem van eigendomsaanspraken op de grond. De transformatie van de landbouw die daar een gevolg van was leidde tot productiviteitsstijgingen in de landbouw en dus tot hogere inkomens voor landarbeiders. Dat zien we in plaatje 3 waar de MPA-curve naar boven schuift en MPA3 wordt waardoor bij een gegeven aantal landarbeiders L het loon kan toenemen naar w3.

De mechanisering in de landbouw betekende echter ook dat er minder landarbeiders nodig waren om de bevolking te voeden. Er ontstond dus minder vraag naar landarbeiders waardoor een (groot) deel van de boerenbevolking noodgedwongen naar de steden trok, waar de industriële revolutie tot meer vraag naar arbeiders leidde. De massale trek naar de steden en de industrie leidde in feite tot een hernieuwd Malthus drama, maar nu in de grote steden waar door de overvloed aan arbeiders de lonen laag bleven en de arbeidsgezinnen op de rand van de hongersnood balanceerden.

Bevolkingsgroei en welvaart: een paar cijfers

Dit lijkt inmiddels heel ver weg van de stelling waarmee werd begonnen, namelijk dat bevolkingsgroei volgens de neo-klassieke theorie tot economische groei leidt. Keren we weer terug naar die stelling en kijken we naar een aantal landen in de wereld van vandaag. China heeft bijvoorbeeld een nauwelijks stijgende bevolking, maar kent toch economische-groeicijfers van meer dan 6% per jaar. Nigeria heeft een van de snelst groeiende bevolkingen in de wereld, maar kent lage en sterk wisselende economische-groeicijfers en is tegelijkertijd een van de armste landen ter wereld. Het inkomen per hoofd in Nigeria is ongeveer 6.000 euro per jaar, gemiddeld is dat in Nederland ongeveer twee maandsalarissen. Nigeria bezit een groot reservoir aan olie en de overheid is voor meer dan 50% afhankelijk van de olieopbrengst. Schommelingen in de olieprijs leiden daarmee rechtstreeks tot grote variaties in de economische groei van Nigeria. Ook landen als Tanzania en Oeganda kennen een hoge bevolkingsgroei en de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen, maar tegelijkertijd ook een extreem laag inkomen per hoofd.

Hoge bevolkingsgroei lijkt vooral samen te gaan met armoede. Rijke landen, zoals de landen in West Europa, kennen een veel lagere bevolkingsgroei dan de arme landen in Afrika (namelijk ongeveer 0% tegen ongeveer 3% groei per jaar). Daar zit een duidelijke logica achter. In een arme bevolking kiezen ouders voor veel kinderen als een soort verzekering tegen armoede voor als ze zelf oud en hulpbehoevend zijn. Maar als je veel kinderen hebt in zo’n maatschappij, is dat niet eens een honderd procent garantie op steun tijdens de oude dag. De levensverwachting is in arme landen over het algemeen laag (niet hoger dan 60 jaar), mede door het veelvuldig voorkomen van een ziekte als aids en hoge babysterfte, zodat als je zelf stokoud mocht worden, er misschien geen kind meer over is om jou te onderhouden. Dan is het dus het beste om veel kinderen te hebben. Hoe meer kinderen er zijn, des te groter de kans dat er minstens één kind overleeft, als jijzelf als ouder tot de allersterksten mocht behoren.

Voor ouders in rijke landen geldt die overweging van ‘kinderen als een levensverzekering’ om minstens twee redenen echter niet. Ten eerste zijn er in rijke landen meestal overheidspensioenen, zoals de AOW in Nederland, die voorkomen dat ouderen tot armoede vervallen. Ten tweede kunnen mensen in rijke landen vaak tijdens hun werkende leven zelf voor een ouderdomsvoorziening zorgen.

Ouderen in rijke landen hebben dus hun kinderen niet nodig om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen in de vruchtbare leeftijd minder kinderen nemen. Men zegt wel dat ouders in rijkere landen kiezen voor kwaliteit in plaats van kwantiteit van kinderen. Als een ouderpaar minder kinderen heeft, kunnen zij ook meer ‘investeren’ in hun kind, dat wil zeggen meer aandacht besteden aan het kind, er voor zorgen dat het een goede opleiding krijgt, het kind helpen bij zijn of haar latere carrière, enzovoorts.

Dit kwaliteitseffect van kinderen in rijke landen lijkt eigenlijk al direct de these te loochenstraffen dat hogere bevolkingsgroei ook tot meer groei zou kunnen leiden. Meer kinderen in armere landen betekent in beginsel een grotere beroepsbevolking en dus ook een hogere productie. Aangezien de ‘kwaliteit’ van de kinderen echter lager is dan de kwaliteit van de kinderen in rijkere landen, zal de beroepsbevolking in arme landen ook van lagere kwaliteit zijn. De beroepsbevolking is daar dus minder productief dan de beroepsbevolking in rijkere landen.

Paul Ehrlich voorspelde in 1968 hongersnoden, miste de groene revolutie

En dus zijn we dan eigenlijk terug bij Malthus. En inderdaad, die nieuwe Malthus was in de 20e eeuw opgestaan en zijn naam was Paul Ehrlich. Zijn boek The Population Bomb had in 1968 ongeveer dezelfde impact als Malthus’ boek. Ehrlich voorspelde massale hongersnoden die al in de jaren 70 zouden beginnen. Zijn argument was iets anders als het argument van Malthus. Malthus ging ervan uit dat er hongersnood zou optreden omdat het loon van landarbeiders onder het bestaansminimum zou terecht komen.  Ehrlich betoogde echter dat de bevolking veel harder groeide (namelijk exponentieel) dan de voedselvoorziening (namelijk lineair) zodat er voor steeds meer mensen steeds minder voedsel per persoon beschikbaar zou zijn. In plaatje 4 zien we de exponentiële groei van de wereldbevolking (curve B) en de lineaire groei van de geproduceerde hoeveelheid voedsel (lijn V) tegen elkaar afgezet.

In 1968 wordt de bevolking groter dan P*, waarna de hoeveelheid voedsel per persoon zal gaan dalen. Er is een bepaalde omvang van de wereldbevolking, zeg omvang Pe, waar de consumptie per hoofd die geproduceerd kan worden, te laag is om iedereen in leven te houden. In plaatje 4 zal dat in 1972 het geval zijn. Daarna zullen hongersnoden en massasterfte een regelmatig terugkerend verschijnsel worden. Ehrlich dacht inderdaad dat in de jaren 70 het niveau Pe bereikt zou worden.

Maar ook de 20e-eeuwse Malthus werd door een agrarische revolutie ingehaald, dit keer door de zogeheten groene revolutie. Het gebruik van nieuwe tarwesoorten die beter bestand waren tegen plantenziekten leidde tot een hoge stijging van de voedselwaarde die een gegeven omvang landbouwgrond kon opbrengen. Het gevolg was dat de wereld een grotere bevolkingsomvang kan voeden dan Ehrlich in 1968 voorzag. Dat wil echter  nog niet zeggen dat Ehrlich het niet bij het rechte eind had. Kijk naar plaatje 5 waar de groei van de voedselvoorziening na 1968 niet gegeven wordt door de lijn V1, maar door de lijn V2.

De lijn V2 is het gevolg van de groene revolutie die volgens plaatje 5 in 1968 begon: bij de nieuwe landbouwtechnieken is het in ieder jaar na 1968 mogelijk meer voedsel te produceren. Het gevolg is echter alleen maar dat de maximale bevolkingsomvang die gevoed kan worden bij een hoger niveau, zeg Peb in plaats van Pe, ligt. Het Malthus-Ehrlich resultaat is daardoor niet veranderd, maar de voorspelde verhongering van (delen van) de wereldbevolking is alleen maar uitgesteld.

Apocalyps alleen maar uitgesteld?

Is het waar dat nieuwe landbouwtechnieken de voorspelde Apocalyps alleen maar uitstellen, maar uiteindelijk niet kunnen verhinderen? Niet volgens Julian Simon, de lieveling van rechtse ontkenners van klimaatverandering. Volgens hem doet schaarste een beroep op de creativiteit van mensen die naar methoden gaan zoeken om die schaarste te bestrijden. Als er een Apocalyps dreigt, worden er opeens technieken uitgevonden die de Apocalyps inderdaad uitstellen. Aangezien dit bij iedere dreigende Apocalyps gebeurt, zal die Apocalyps nooit werkelijkheid worden. Kijk maar naar plaatje 6. Hongersnood dreigde eerst bij een bevolkingsomvang van Pe en toen bij Peb. In plaatje 6 stonden er eerst in 1972 (lijn V2) en toen weer in 1976 (lijn V3) mensen op om nieuwe technieken uit te vinden. Daardoor wordt de hongersnood telkens weer uitgesteld.

Zoals in plaatje 6 te zien is, leidt de inventiviteit van mensen er toe dat de ontwikkeling van de voedselproductie in feite net zo verloopt als de bevolkingsgroei, namelijk in dit geval exponentieel.

De mens is zo flexibel dat als er rampen dreigen, hij/zij in staat is oplossingen te bedenken die de ramp voorkomen. Dat geldt niet alleen voor dreigende voedselschaarste, maar ook als er milieuproblemen dreigen of schaarste aan natuurlijke hulpbronnen. Dat was ook de kritiek van Simon op het rapport “De grenzen aan de groei” van de Club van Rome uit 1972. Dit was voor een deel een navolging van het boek The Population Bomb van Paul R. Ehrlich. Het rapport schetste een beeld van oprakende grondstofvoorraden binnen een aantal decennia, maar dat beeld was uiteraard niet aan Julian Simon besteed. Simon ging met Ehrlich een weddenschap aan dat de prijzen van belangrijke grondstoffen niet zouden stijgen, zoals volgde uit Ehrlich’s boodschap, maar juist dalen. De uitslag is bekend (zie hier): Simon won en Ehrlich moest ruim 576 dollar aan Simon overmaken.

Wat kunnen we nu concluderen over bevolkingsgroei? Is het Malthusiaanse/Ehrlich model of het Simon model relevant? Hoeven we ons niet druk te maken over bevolkingsgroei, bijvoorbeeld in Afrika, omdat als de nood aan de man komt de oplossing nabij is? Wat de bevolkingsomvang in Afrika betreft, in 1950 woonden er ongeveer 225 miljoen mensen, in 2080 was dat ruim verdubbeld tot 480 miljoen mensen. In 2019 wonen er 1,3 miljard mensen en over 30 jaar is, volgens de huidige verwachting, de bevolking alweer verdubbeld tot bijna 2,6 miljard mensen. Tegen het einde van deze eeuw zullen er ruim 4 miljard mensen door Afrika lopen. Als deze voorspelling klopt, want de afgelopen jaren moest de voorspelling van de bevolking steeds naar boven worden bijgesteld. Hoeven we ons à la Simon geen zorgen te maken of de landbouwproductie voldoende zal zijn voor deze 4 miljard monden? Afrika-deskundige Ton Dietz schreef over de recente ontwikkeling in De Volkskrant dat de landbouwproductie in Afrika sneller stijgt dan de bevolking, maar dat dit vooral komt door “massale areaaluitbreiding en niet zozeer door stijging van de productie per hectare”. Dat wil zeggen dat Afrika op weg is naar het punt Pe in de bovenstaande plaatjes, maar dat het er niet op lijkt dat productiviteitsstijging massale hongersnood (of emigratie) gaat voorkomen.

In Afrika dreigt er nog steeds een bevolkingsexplosie

De suggestie is dat Afrika niet uit een permanente staat van armoede en  dreigende hongersnoden komt omdat veel van de technische kennis over landbouw (en andere sectoren) Afrika voorbij gaat. Hoe komt dat? Omdat de bevolking nog niet hard genoeg groeit, is de suggestie van Hidde Boersma, ook in De Volkskrant. Zijn argument gaat als volgt. Voor economische groei is een goede infrastructuur nodig. De infrastructuur van Afrika is echter onderontwikkeld, maar dat komt omdat Afrika voor een heel groot deel een leeg continent is. Daardoor loont het niet de moeite wegen aan te leggen en te asfalteren. Als de bevolking flink blijft groeien, zal het op een gegeven moment lonend worden om de infrastructuur te verbeteren, zo heeft Boersma bij wie anders dan Julian Simon gelezen.

Welke toverkracht de wegenbouwers in Nigeria aan het werk gaat zetten is onduidelijk. Nog veel onduidelijker is waarom een land als Noorwegen met een bevolkingsdichtheid van 14,5 mensen per vierkante kilometer zo veel meer en zo veel betere infrastructuur heeft dan een land als Nigeria dat 206 mensen per vierkante kilometer herbergt. Zowel Noorwegen als Nigeria beschikken over een grote hoeveelheid natuurlijke hulpbronnen, maar Nigeria is ondanks die natuurlijke rijkdom niet in staat gebleken meer dan 16% van zijn wegen te asfalteren. Noorwegen heeft een goed ontwikkeld en geasfalteerd wegennet.

Waarom Nigeria niet uit het economische moeras komt, is natuurlijk allang bekend en is door tientallen artikelen keer op keer beschreven (zie bijvoorbeeld hier en hier, lees ook why nations fail). Net als in andere Afrikaanse landen vieren corruptie, zwakke instituties, nepotisme en fraude bij verkiezingen de boventoon. Politici en topbureaucraten verkopen voor hun eigen gewin de exploitatie van de olievoorraden aan internationale bedrijven als Shell en laten toe dat die vervolgens grote milieuschade aan het land toebrengen. In Nigeria is het zeer winstgevend om een post van aanzien bij de overheid te krijgen, want dat is de zekere weg naar rijkdom. In de meeste andere Afrikaanse landen is de situatie niet veel anders. Er komt geen ontwikkeling in die landen omdat het niet loont om een vak te leren. Het loont alleen maar om je in te vechten in de overheid. Dit lukt uiteraard alleen maar de gelukkige enkeling. Het overgrote deel van de bevolking blijft in armoede leven.

In een situatie van corruptie en plundering van de natuurlijke rijkdommen van een land als Nigeria is bevolkingsgroei een voorwaarde voor economische rampspoed, precies zoals Paul Ehrlich in 1968 en Malthus 1798 dat hadden beschreven. Jongeren in Nigeria, die de meerderheid van de bevolking vormen, verkeren in een uitzichtloze situatie met slecht onderwijs en werkloosheid of ondermaatse baantjes in het verschiet. Bovendien worden zij door patriarchale oude politici uit het politieke proces gehouden, al zijn er pogingen van jongeren zelf daar verandering in aan te brengen. Voorlopig is de overgrote meerderheid van de bevolking van baby af aan tot armoede gedoemd en nog meer monden om te voeden zal de armoede alleen maar verdiepen. Nigeria is daarmee een schoolvoorbeeld van een land waar het neo-Malthusiaanse model bij uitstek van toepassing is.

Pleiten voor bevolkingsgroei in Afrika is misdadig

Laten we het geval van Nigeria (en andere Afrikaanse) landen eens vergelijken met een andere plek en een andere tijd waar de bevolking spectaculair groeide, maar waar de welvaart toch toenam. De plek is De Lage Landen (DLL) en de tijd de late Middeleeuwen tot de 17e eeuw, zoals beschreven door Bas van Bavel. In DLL steeg de bevolking van 400.000 in de 10e naar 2,5 miljoen mensen aan het begin van de 14e eeuw. Na de pestepidemie van de 14e eeuw die de bevolkingsgroei tijdelijk stopte, steeg de bevolking verder. Bijvoorbeeld, in wat nu Nederland is, verdubbelde de bevolking van 1400 tot het begin van de 17e eeuw (zie bron). Ondanks die sterke bevolkingsgroei nam ook de welvaart toe. Rond 1600 was het inkomen per hoofd in Holland twee keer zo hoog als in de omringende landen. Deze welvaart was bovendien voor die tijd tamelijk wijd verspreid over de bevolking, wat weer een gevolg was van het afwezig zijn van almachtige lokale elites: “Edellieden op het platteland en patriciërs in de steden hielden elkaar in bedwang, terwijl boeren, stedelingen, vaklieden en gilden een verzekerde positie in de maatschappij innamen en deel konden nemen aan juridische en politieke besluitvorming” (Bas van Bavel op p. 147, mijn vertaling). DLL was toen een ‘inclusieve’ maatschappij waar mensen beloond werden voor hun eigen inspanningen. Er was, met andere woorden, geen elite die in staat was het surplus dat door mensen werd geproduceerd op te eisen.

In Afrika heerst wat Acemoglu en Robinson een ‘extractieve’ maatschappijvorm noemen. Als je in zo’n maatschappij weinig macht hebt, leveren je inspanningen niet veel rendement op. Zo’n maatschappij neemt ieder motief voor mensen weg om te investeren in hun kennis en kunde. Onderontwikkeling en armoede is het resultaat. Dat is dan niet het directe gevolg van bevolkingsgroei, maar van het ontbreken van prikkels om te investeren in productieve activiteiten. Dit is in grote delen van Afrika het geval, waar oude zwarte mannen het grootste deel van de opbrengsten van de nationale productie voor zichzelf opeisen. De rest van de bevolking houden zij op een bestaansminimum, of daar nog iets onder. Iedere opmerking door westerse politici over de ongelijkheid en de armoede in die landen wordt door de oude zwarte oude mannen weggewuifd als koloniale inmenging. Zij hebben echter zelf de slechte tradities van de vroegere koloniale machthebbers soms bijna naadloos overgenomen. Het is bijna misdadig om bevolkingsgroei te bepleiten voor dergelijke landen. Het is voornamelijk een recept voor het op de wereld zetten van mensen in uitzichtloze situaties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.