Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren

De AOW-leeftijd van 65 jaar was lange tijd onwrikbaar in Nederland. De eerste kras kwam in het begin van de jaren 80 met de vervroegde-uittredingsregelingen (VUT). Hierdoor konden veel mensen al rond hun 60e jaar met pensioen. Maar 10 jaar geleden begon de slinger de andere kant op te zwaaien: voor jongeren is nu de verwachte AOW-leeftijd 71 jaar, of hoger. De huidige ouderen gaan al veel later met pensioen dan 10 jaar geleden, maar veel ouderen die werkeloos zijn geworden kunnen nauwelijks een nieuwe baan vinden. Mensen in zware beroepen, daarentegen, hebben moeite gezond de pensioenleeftijd te halen. Het lijkt aannemelijk dat deze verschijnselen (hoge werkloosheid onder ouderen, problemen voor ouderen in zware beroepen) met de hogere AOW-leeftijd te maken hebben. Een basisinkomen voor ouderen dat op 65-jarige leeftijd begint, zou een beter alternatief zijn dan het voortdurend verhogen van de AOW-leeftijd en zou, als het meezit, zelfs geld kunnen opbrengen.

In het eerste decennium van deze eeuw kwamen er berichten dat er grote arbeidstekorten zouden dreigen en ook ouderen nodig zouden zijn om de vele gaten op de arbeidsmarkt op te vullen (Commissie Arbeidsparticipatie, 2008). Daarnaast vatte bij menigeen (hoewel niet bij mij) de mening post dat de AOW financieel onhoudbaar zou zijn. Een AOW-leeftijd van 65 jaar bleek toch niet in beton gegoten. In 2012 werd tot een daadwerkelijke verhoging van de AOW-leeftijd besloten in het zogenaamde lenteakkoord. Het begint velen nu duidelijk te worden dat een hogere AOW-leeftijd ongewenste effecten heeft. Een basisinkomen voor ouderen (BIO), zoals eerder voorgesteld en in 2017 opnieuw in de publiciteit gebracht door het televisieprogramma Radar, is daarom een beter idee. Het kan werkgevers stimuleren ouderen weer als volwaardige werknemers in dienst te nemen of te houden. Als het meezit komen dan meer 60-plussers aan het werk.

Ouderen werken meer, maar zijn ook meer werkloos

Tussen 2003 en 2018 zijn 60-plussers spectaculair meer gaan werken. Terwijl in 2003 nog geen kwart van de mensen tussen de 60 en de 65 jaar werkten, werkt nu meer dan de helft van deze leeftijdsgroep. Dat is wel nog altijd minder dan mensen jonger dan 60 jaar: daarvan werken 4 op de 5 mensen. De werkloosheid onder de 60-plussers is juist relatief hoog, namelijk ongeveer 6%, tegen een werkloosheid van ongeveer 3% van mensen tussen de 35 en 60 jaar oud.

Het basisinkomen voor ouderen (BIO) als oplossing

Het principe van een basisinkomen is dat mensen vanaf een bepaalde leeftijd, in dit geval 65 jaar, gratis een inkomen van de overheid ontvangen waarbij ze de mogelijkheid krijgen door te blijven werken, wellicht in deeltijd, als ze een baan hebben. Stoppen met werken mag ook, evenals niet langer een baan zoeken bij werkloosheid.

Een belangrijke eigenschap van veel voorstellen voor een basisinkomen is dat het uitkeringsrecht zonder voorwaarden is. Op deze regel maak ik echter twee uitzonderingen. Ten eerste kan, om ‘BIO-immigratie’ te voorkomen, er alleen recht op een basisinkomen ontstaan als men gedurende een zekere periode, bijvoorbeeld 30 jaar, onder het Nederlandse belastingstelsel heeft gewoond. Ten tweede zal de uitkering verschillen tussen alleenstaanden en samenwonenden. Dit is ook zo in de huidige AOW en dient om grote inkomensverschillen tussen samenlevingsvormen te voorkomen.

Hieronder worden de budgettaire effecten nagerekend van een BIO. Eerst worden de netto kosten van een BIO besproken, als door het BIO mensen niet meer of minder gaan werken. Daarna wordt eerst verondersteld dat het BIO er toe leidt dat de participatie van ouderen op de arbeidsmarkt daalt en daarna dat de arbeidsdeelname  juist stijgt.

Een basisscenario voor een BIO

Alleenstaanden ontvangen vanaf hun 65ste jaar 1000 euro bruto per maand, en samenwonenden ontvangen 650 euro bruto per maand. Dit is ongeveer gelijk aan de norm die ook in de AOW geldt. In beginsel wordt het BIO gegeven tot overlijden, maar de kosten worden hieronder berekend voor mensen tot 67 jaar. Dat geeft het beste beeld van de extra kosten die het BIO met zich brengt, omdat naar verwachting binnenkort de AOW-leeftijd op 67 jaar ligt. Met de huidige bevolkingsopbouw en uitgaande van 40% alleenstaanden kunnen de bruto kosten van het BIO berekend worden als 3,136 miljard euro per jaar (berekeningen op aanvraag verkrijgbaar). Daar tegenover staat dat in ieder geval de uitkeringen op minimumniveau bij het ingaan van het BIO vervallen. CBS-gegevens, gedateerd 1 januari 2017, laten zien dat de 60-64 jarigen in totaal voor 5,427 miljard euro aan sociale-zekerheidsuitkeringen ontvangen. Het is niet goed mogelijk in dit bedrag de minimum- en bovenminimale uitkeringen van elkaar te scheiden, maar gezien het betrekkelijk lage gemiddelde jaarlijkse uitkeringsbedrag van ongeveer 13.000 euro per hoofd, wordt aangenomen dat hoogstens 20% van het totale uitkeringsbedrag bovenminimale uitkeringen betreft. Voor de 65 en 66 jarigen zou deze besparing aan sociale-zekerheidsuitkeringen vrijwel gelijk aan nul zijn, omdat veel van hen op de peildatum van het CBS een AOW-uitkering kregen. Binnen een paar jaar is dat natuurlijk niet langer het geval. Voor de eenvoud nemen we daarom aan dat de besparingen voor de 65 en 66 jarigen, gelijk zijn aan de gemiddelde besparing voor de 60-64 jarigen, ofte wel in totaal 80% van 2,2 miljard euro: 1,737 miljard euro. Trekken we deze besparingen van de bruto uitgaven af, dan krijgen we 3,136 – 1,736 = 1,400 miljard euro.

Het BIO als bodem in het loon

Een belangrijk onderdeel van het voorstel is dat werkgevers van voltijds werkende 65-plussers het bruto loon met het basisinkomen mogen verminderen, maar ook een deel van de besparing naar de fiscus retourneren. Bij samenwonenden is het retourbedrag 150 euro en bij alleenstaanden is dat bedrag 500 euro, zodat voor werkgevers de besparingen op de arbeidskosten voor iedere 65-plusser gelijk is. In feite ontvangt de werkgever bij deze constructie voor een 65-plusser een loonkostensubsidie van 500 euro per maand. Voor overige 65-plussers met een eigen inkomen, zoals zelfstandigen en vermogensbezitters, geldt hetzelfde: samenwonenden betalen 150 euro per persoon van hun BIO terug aan de fiscus en alleenstaanden betalen 500 euro. Gegeven het huidige aantal werkende 65- en 66-jarigen leidt dit tot een teruggave aan de fiscus van 0,369 miljard euro. De netto uitgaven bedragen dan uiteindelijk 1,400 miljard euro − 0,369 miljard euro is 1,031 miljard euro.

Scenario’s met positieve en/of negatieve effecten

Het bedrag van 1,031 miljard euro zou men de netto kosten van het BIO in het basisscenario kunnen noemen. In dit scenario wordt er geen positief of negatief effect van het BIO op de arbeidsdeelname verondersteld. Vanaf nu gebeurt dat wel. Of de invoering van een basisinkomen tot per saldo positieve budgettaire effecten voor de overheid op termijn zal leiden, is vanzelfsprekend onzeker. De positieve budgettaire effecten zouden moeten komen van de versterking van de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers, die grotendeels het gevolg is van de lagere arbeidskosten die het BIO impliceert.

Anderzijds kan het BIO dat ‘gratis’ wordt uitgekeerd er toe leiden dat mensen besluiten eerder de arbeidsmarkt te verlaten. Dat zal in ieder geval gelden voor mensen met zware beroepen en/of lage inkomens (en vaak een lagere levensverwachting). Voor hen maakt het BIO het mogelijk eerder met pensioen te gaan. In dat geval is het BIO een correctie op de scheve verdeling van de pensioenleeftijd over inkomensgroepen, die de verhoging van de AOW-leeftijd heeft veroorzaakt. Maar ook mensen met hogere inkomens vinden misschien dat het verlies aan arbeids- en pensioeninkomen bij vervroegd pensioen opweegt tegen de winst aan vrije tijd plus het BIO.

Er is geen (empirische) methode om dit effect betrouwbaar te meten. Daarom bekijk ik twee uiterste gevallen. In het eerste geval is de aanname dat de arbeidsdeelname van 65-plussers net zo laag wordt als in de tijd dat de VUT nog bestond. Meer dan 75% van de 60-plussers werkte toen niet. We zouden die lage arbeidsdeelname van 60-plussers kunnen toeschrijven aan het effect van de VUT en dit effect als het maximaal negatieve effect van het BIO op 65-jarige leeftijd kunnen benoemen. In het tweede geval wordt aangenomen dat dankzij het BIO 65-plussers net zo veel gaan werken als de mensen jonger dan 60 jaar. Het aantal werkenden van 65 of 66 jaar zou dan aanzienlijk toenemen. Het gevolg daarvan is dat een groter deel van de uitgaven aan BIO terug gegeven worden aan de fiscus door werkgevers. Omdat ouderen die een baan vinden een hoger inkomen zullen hebben dan alleen het BIO, zal er ook meer inkomstenbelasting worden afgedragen. Als er minder ouderen gaan werken door de invoering van het BIO vindt natuurlijk het omgekeerde plaats.

De overheid kan wel varen bij de invoering van een BIO

De resultaten van het basisscenario en de alternatieve scenario’s zijn samengevat in de tabel hieronder. In alle gevallen wordt in deze opzet het BIO gedeeltelijk ‘terugverdiend’. De netto uitgaven van het BIO variëren van 1,619 miljard euro als er negatieve effecten op de arbeidsdeelname zijn, via 1,030 miljard euro als er per saldo geen arbeidsparticipatie-effect optreedt tot een positief effect op het overheidsbudget van 1,4 miljard euro als de netto arbeidsparticipatie van alle 65-66 jarigen flink zou toenemen.

Het BasisInkomen voor Ouderen (BIO): doen

Het invoeren van een BIO kan geld kosten, of geld opleveren. Welk effect domineert valt echter niet te voospellen. Maar dat weten we ook niet van de verhoging van de AOW-leeftijd. Politici denken vaak dat dit geld gaat opleveren, maar dat kunnen ze helemaal niet weten. Als heel veel oudere mensen werkeloos worden, of arbeidsongeschikt door de verhoging van de AOW-leeftijd kunnen de kosten hoger zijn dan de opbrengsten. Wat vast staat is dat de verhoging van de AOW-leeftijd er toe heeft geleid dat mensen met lage inkomens later met pensioen (kunnen) gaan dan mensen met hoge inkomens. Een BIO zou het voor mensen met lage inkomens makkelijker maken eerder te stoppen met werken. Hoewel men dit als een ‘negatief’ effect van het BIO kan opvatten, is dit effect vanuit rechtvaardigheidsoogpunt eerder een gewenst effect. Het gaat vaak om mensen met zware beroepen die door de verhoging van de AOW-leeftijd gedwongen worden langer door te werken. Het BIO corrigeert dit ongewenste effect van de verhoging van de AOW-leeftijd.

Als mensen door een BIO eerder stoppen met werken is dat dus beslist geen ramp. Er zullen bovendien ook mensen zijn die dankzij een BIO juist een baan vinden en niet tegen hun zin verstoken blijven van sociale contacten. Anders dan bij de verhoging van de AOW-leeftijd maakt een BIO het in dienst nemen of houden van oudere werknemers aantrekkelijker door de lagere arbeidskosten die het BIO impliceert.

Kortom: een BIO? Doen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.