Een ‘spookcijfer van premier Rutte deed het pensioenakkoord mislukken

De onderhandelingen over het pensioenakkoord dat de sociale partners, werkgevers en werknemers, met de regering wilde sluiten zijn mislukt en de FNV krijgt de schuld, zie nu.nl. Het aandeel van de regering in zo’n akkoord zou, ten eerste een vertraging in de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar moeten zijn en, ten tweede, het terugdraaien van de zogenaamde een-op-een koppeling aan de levensverwachting. Die koppeling houdt in dat als de levensverwachting toeneemt met een jaar de AOW leeftijd (met een korte vertraging) ook met een jaar zou toenemen. maar de regering wilde alleen maar de verhoging van de AOW-leeftijd temperen. Het loslaten van de koppeling kostte volgens de premier 6 miljard euro, structureel en direct te voldoen. Waar kwam die 6 miljard euro vandaan? Wie had dat berekend? Het was een spookcijfer, zoals we nog zullen zien.

6 miljard euro kun je niet zo maar financieren en daarom moest het onderwerp van studie zijn en doorgeschoven worden naar de volgende kabinetsformatie, want om de premier letterlijk te citeren tijdens het parlementair debat over het mislukken van het pensioenakkoord: “We snapten allemaal dat een afspraak maken over 6 miljard niet kan tijdens een lopende kabinetsperiode. Dat is ongeveer de kosten van de hele bijstand in Nederland, de kosten van de hele politie in Nederland, twee derde van onze krijgsmacht. Dat doe je bij een formatie.”

De eenmalige kosten van de AOW-leeftijd pas in 2024 op 67 jaar

Bij de tempering van de verhoging van de AOW-leeftijd, voorgesteld door de regering, zou de AOW-leeftijd niet in 2021, maar in 2024 op 67 jaar komen. Kosten daarvan volgens de premier 4,5 miljard euro. Dat is natuurlijk een eenmalig bedrag en uitgesmeerd over 6 jaar stelt dat op de jaarlijkse begroting niet zo veel voor, namelijk 750 miljoen euro. Dat is ongeveer net zo veel als jaarlijks aan asiel en immigratie wordt uitgegeven. Bovendien vallen een derde van deze kosten buiten de begroting van de huidige coalitie, maar komen voor rekening van het volgende kabinet. Mijn eigen berekening komt overigens niet op 4,5 miljard, maar op 5,1 miljard euro uit, maar, zoals zo vaak bij dit soort grootse operaties hangen de begrote kosten heel erg af van de aannames die men maakt, bijvoorbeeld over de hoe de stijging van de AOW-leeftijd over de tijd is gespreid en ook hoe men toekomstige bedragen contant maakt. Ik ga uit van een gelijkmatige stijging van de AOW-leeftijd naar 67 en verdisconteer toekomstige bedragen tegen een rente van 2% per jaar (zie de technische opmerking over de rente versus de economische groei aan het eind van dit blog). Bovendien is dit bedrag een bruto-bedrag, dat wil zeggen, er is geen rekening gehouden met besparingen die verlaging van de AOW-leeftijd met zich brengen. Zodra iemand de AOW-leeftijd bereikt, heeft hij of zij geen recht meer op sociale-zekerheidsuitkeringen zoals uitkeringen bij werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. In 2017 ontvingen de 60-64 jarigen (die dus nog geen AOW ontvingen) in totaal voor bijna 5,5 mrd euro aan sociale-zekerheidsuitkeringen. Voor ieder jaar dat de AOW-leeftijd wordt verhoogd kost dat de overheid aan uitkeringen dus gemiddeld 1,1 miljard euro. Houden we met deze besparingen rekening, dan komen we op een contante waarde van 2,3 miljard euro aan besparingen op sociale-zekerheidsuitgaven. Het uitsmeren van het verhogen van de AOW-leeftijd naar 67 jaar tot 2024 in plaats van tot 2021 kost dan per saldo een eenmalig bedrag van (5,1 – 2,3) = 2,8 miljard euro. Dat is niet niks, maar uitgesmeerd over zes begrotingsjaren valt dit bedrag in het niet bij andere posten.

De kosten van het loslaten van de een-op-een koppeling volgens Koolmees

Laten we dan eens gaan naar de 6 miljard euro die het loslaten van de een-op-een koppeling volgens de premier zou kosten. PvdA-kamerleden Lodewijk Asscher en Gijs van Dijk wilden van de regering weten waar dat bedrag op gebaseerd was en zij kregen antwoord van de minister van Sociale Zaken, Wouter Koolmees. Laten we het antwoord van de minister in extenso citeren: “Indien de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting wordt gehalveerd kost dat structureel circa € 6 miljard euro. Dit is een eerste globale inschatting op basis van een eigen doorrekening, welke is bevestigd door het CPB. Het structurele effect, wat gelijk is aan het effect in 2060 (tot dat jaar loopt de bevolkingsprognose), bestaat uit hogere SZW-uitgaven (saldo van hogere AOW- en AIO-uitgaven en lagere uitgaven aan AO-regelingen, WW, bijstand, etc.) en derving van AOW-premie. Dit zogenoemde ex-ante effect is exclusief het effect van een lagere arbeidsparticipatie (…).”

In dit citaat vallen drie dingen op. Ten eerste dat er helemaal geen antwoord gegeven wordt op de vraag van de geachte afgevaardigden. Wij hadden al vermoed dat er sprake was van ‘eigen berekeningen”, maar naar die berekeningen waren wij juist benieuwd. Wij krijgen ze niet te zien.  Ten tweede dat de effecten van het loslaten van de een-op-een koppeling in 2060 (!!) worden berekend. Dat is over meer dan veertig jaar. Er is dan zoveel veranderd dat er op geen enkele manier na te gaan valt, of de huidige ‘voorspellingen’ waar blijken te zijn geweest. Wie denkt te weten hoe de wereld er dan uitziet is of een genie, of uiterst arrogant. Hoewel Koolmees niet de indruk van een arrogante econoom maakt, vrees ik toch dat hij ook geen genie is. Waarschijnlijk heeft Koolmees deze gewoonte om berekeningen te maken over ver weg liggende jaren van het CPB overgenomen die dat voor de AOW al meerdere malen gedaan heeft en dan altijd tot voor de AOW sombere conclusies kwam. Het derde dat opvalt is dat Koolmees aanneemt dat dit een minimumschatting is van de kosten, want er is nog “het effect van een lagere arbeidsparticipatie”. Daarvan weten we in ieder geval zeker dat deze aanname van het CPB komt: het CPB neemt aan dat een verhoging van de AOW-leeftijd tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen leidt. Tot nu toe heeft het vooral tot meer werkloosheid onder ouderen geleid.

De kosten van het loslaten van de een-op-een koppeling volgens Verbon

Afgezien van deze bedenkingen, kunnen we bezien of we het bedrag van 6 miljard euro kunnen reproduceren. Het idee van de een-op-een koppeling is, als gezegd, dat bij een toename van de levensverwachting met een jaar de AOW-leeftijd ook met een jaar wordt verlengd. Op basis van de nu bekend zijnde ontwikkeling van de levensverwachting (vanaf 65 jaar) tot 2060 staat het nu vast dat de AOW-leeftijd zal toenemen van 67 jaar en 3 maanden in 2024 tot 71 jaar en 3 maanden in 2060. Op grond van de wens van de vakbeweging bij de onderhandelingen rond het pensioenakkoord zou de AOW-leeftijd niet 71 jaar en 3 maanden moeten zijn, maar 69 jaar en 3 maanden. De regering die in 2060 aan het bewind is, moet dus twee jaargroepen extra een AOW-uitkering geven. Dat zijn ongeveer 400.000 mensen. Een AOW-uitkering kost in huidige euro’s gemiddeld ongeveer 12.000 euro bruto per jaar. Netto is dat voor veel mensen veel lager omdat ze ook belasting over hun AOW-uitkering betalen, maar laten we daar van afzien. De extra AOW-uitgaven voor de regering in 2060 is dus 400.000 maal 12.000 euro, ofte wel 4,8 miljard euro. Dat is al minder dan de door premier Rutte en minister Koolmees gesuggereerde 6 miljard euro.

Maar ook van dit bedrag gaan natuurlijk weer de besparingen aan sociale-zekerheidsuitkeringen af, die we hadden berekend op gemiddeld 1,1 miljard euro per jaar. Trekken we twee keer dit bedrag af van 4,8 miljard dan hebben we nog maar 3,6 miljard euro over. Het vervangen van de een-op-een koppeling door een half-op-een koppeling kost volgens deze berekening dus veel minder dan door de regering is berekend. Het is wel een structureel bedrag, dat wil zeggen vergeleken met wat we nu (denken te) weten over het jaar 2060 en daarna, zal de dan zittende regering ieder jaar per saldo 3,6 miljard euro meer moeten uitgeven. Gedurende de jaren tot aan 2060 is dat bedrag echter lager, omdat de AOW-leeftijd door de toegenomen levensverwachting langzaam oploopt. Zo is in 2041, volgens huidige inzichten, de AOW-leeftijd 69 jaar en drie maanden. Op basis van de half-op-een koppeling zou de AOW-leeftijd een jaar eerder, namelijk 68 jaar en drie maanden zijn, zodat in 2041 de kosten volgens bovenstaande logica 1,8 miljard euro bedraagt.

De kosten van het vervangen van de een-op-een-koppeling zijn tot 2060 lager

Zelfs dus als het bedrag dat het vervangen van de een-op-een koppeling door een half-op-een koppeling in 2060 zes miljard euro zou kosten, zou daar niet nu al zes miljard voor gereserveerd hoeven te worden in de begroting. Dat zou namelijk gedurende 40 jaar tot een groeiend overschot leiden dat, afhankelijk van de rentestand die de overheid op beleggingen weet te realiseren, kan oplopen tot bedragen tussen de 200 en 300 miljard euro in 2060 (in huidige euro’s). Wil men de extra AOW-uitgaven die in 2060 dus volgens de premier 6 miljard euro bedragen, tot het einde der tijden kunnen financieren, dan hoeft daar bij een reële rente van 2% nu slechts ongeveer 2/3 van dat bedrag voor vrij gemaakt te worden, oftewel ongeveer 4 miljard euro. Hoe hoger de rente in de toekomst zal zijn, des te lager dit bedrag is. Bijvoorbeeld, bij een rente van 3% hoeft van het bedrag van 6 miljard nu nog slechts 3,3 miljard euro vrij gemaakt te worden om de half-op-een koppeling te kunnen financieren.

Premier Rutte zei over het loslaten van de een-op-een koppeling tijdens het debat over het mislukken van het pensioenakkoord dat die 6 miljard niet binnen de huidige kabinetsperiode gefinancierd kan worden. Het blijkt nu, na vrij elementaire berekeningen, dat zelfs als dit bedrag van 6 miljard euro in 2060 zou kloppen, dit bedrag niet nu al gereserveerd hoeft te worden, zoals premier Rutte wel aan de Kamer meedeelde. Hoeveel er wel gereserveerd moet worden, hangt voor een groot deel er van af hoe veel de rente van de economische groei afwijkt de komende veertig jaar. Hoe hoger die afwijking (rente minus economische groei), des te minder er nu structureel vrij gemaakt hoeft te worden voor de financiering van de lagere AOW-leeftijd. Daarnaast blijft natuurlijk de vraag open of het bedrag van 6 miljard euro in 2060 klopt. In de bovenstaande berekeningen kwam ik zelf tot een bedrag van 3,6 miljard euro. Daarbij werd aangenomen dat ontwikkeling van de AOW-uitkering welvaartsvast is. Dat is in de afgelopen dertig jaar gemiddeld niet het geval geweest. Het valt dus minstens te betwijfelen of dat de komende veertig wel het geval zal zijn. Uiteraard zal als de AOW de productiviteitsontwikkeling niet volgt het bedrag dat nu gereserveerd zou moet worden, navenant lager kunnen zijn.

De 6 miljard euro voor de half-op-een koppeling is een spookcijfer

Uiteindelijk is de conclusie dat het bedrag van 6 miljard euro dat volgens premier Rutte en minister Koolmees nodig zou zijn om het afzwakken van de een-op-een koppeling te financieren slechts een spookcijfer is. Het bedrag kan om meerdere redenen lager ingeschat worden. Zelfs als we te allen tijde willen voorkomen dat de generaties van 2060 met hoge AOW-uitgaven geconfronteerd worden door de een-op-een koppeling los te laten, lijkt het creëren van een structurele ruimte van ongeveer drie tot hooguit vier miljard euro voldoende om de wensen van de FNV voor het vertragen van de stijging van de AOW-leeftijd te kunnen honoreren. Men heeft de FNV het verwijt gemaakt dat de wens de een-op-een koppeling af te zwakken pas na de formatie naar buiten werd gebracht, terwijl dit standpunt in geen enkel verkiezingsprogramma was opgenomen.

Dat laatste gold echter ook voor het afschaffen van de dividendbelasting dat ‘zo maar’ als geschenk aan de mutinationals in het regeerakkoord bleek te zijn opgenomen. Premier Rutte was als bekend een warm voorstander van dat geschenk dat, als het door was gegaan, 3,2 miljard euro per jaar gekost zou hebben. Het bleek de afgelopen periode kennelijk niet ingewikkeld om daar financiering voor te vinden. Het probleem van het afschaffen van de een-op-een koppeling moet van dit kabinet doorgeschoven worden naar de volgende formatie terwijl het vinden van de financiering daarvan niet veel ingewikkelder kan zijn dan de financiering van het afschaffen van de dividendbelasting. In het Kamerdebat over het mislukken van het pensioenakkoord suggereerden diverse Kamerleden dat het ‘aanbod’ van de regering de een-op-een koppeling in de volgende formatie te regelen, niet vertrouwd werd door het FNV. Gezien het gemak waarmee de premier het afschaffen van de dividendbelasting verdedigde en het probleem dat de premier blijkt te hebben met het afschaffen van de een-op-een koppeling, lijkt een dergelijk wantrouwen gerechtvaardigd.

Technische opmerking: We hebben in de berekeningen aangenomen dat de AOW welvaartsvast is, dus meegroeit met het bbp. Dat stelt ons in staat aan te nemen dat er geen economische groei is, zodat de bedragen in huidige euro’s kunnen worden genomen. De rente is dan impliciet de rente ten opzichte van de economische groei. Een rente van 2% of hooguit 3% lijkt dan een juiste weerspiegeling van de jarenlange gemiddelde afwijking van de rente ten opzichte van de economische groei

CategorieënAOW

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.