Het ‘spookcijfer’ van premier Rutte dat het pensioenakkoord deed mislukken

De onderhandelingen over het pensioenakkoord dat de sociale partners, werkgevers en werknemers, met de regering wilde sluiten zijn in november 2018 mislukt. De FNV kreeg de schuld, zie nu.nl. Het aandeel van de regering in zo’n akkoord zou, onder meer, het deels terug draaien van de verhoging van de AOW-leeftijd zijn. Dat kostte volgens premier Rutte 6 miljard euro, structureel en direct te voldoen. Waar kwam die 6 miljard euro vandaan? Wie had dat berekend? Het was een spookcijfer. Lees daarover op de economenwebsite Me Judice dat die 6 miljard euro net zo goed veel lager had kunnen zijn, op zijn hoogst zelfs 4 miljard euro. Hieronder geef ik voor de geïnteresseerde lezer de gedetailleerde berekeningen voor het stuk in Me Judice.

Het pensioenakkoord is gestrand op het deel van het pensioenakkoord dat ging over het deels loslaten van de een-op-een koppeling van de toename van levensverwachting aan de verhoging van de AOW-leeftijd. Volgens de regering zou dit dus 6 miljard euro kosten. De minister van Sociale Zaken, Wouter Koolmees (zie plaatje, met toestemming overgenomen van Mirjam Vissers) beweerde in antwoord op vragen van PvdA-kamerleden Lodewijk Asscher en Gijs van Dijk dat die 6 miljard euro gebaseerd was op een “eerste globale inschatting op basis van een eigen doorrekening.” Hoe Koolmees die “globale inschatting” had gemaakt, zei hij er niet bij. Als ik Kamerlid was geweest, had ik direct aan de minister gevraagd of hij mij die berekeningen kon doen laten toekomen. Of Kamerleden Asscher en Van Dijk dat gedaan hebben, weet ik niet. Maar hier beneden laat ik zien hoe ik aan veel lagere kosten dan 6 miljard euro kom.

De AOW-leeftijd bij het wel/niet loslaten van de koppeling 

In tabel 1 staat in de kolom J+M de ontwikkeling van de AOW-leeftijd in jaren plus maanden met de nu door het CBS voorziene levensverwachting op 65 jaar en de zogenaamde een-op-een koppeling, waarbij een stijging van de levensverwachting met een jaar ook tot een stijging van de AOW-leeftijd met een jaar leidt. In de kolom ‘½koppel’ staat de ontwikkeling van de AOW-leeftijd als de koppeling voor de helft zou gelden. In kolom ‘Extra’ wordt het aantal maanden vermeld dat de AOW-leeftijd in ieder jaar lager is dan de nu voorziene AOW-leeftijd bij de halve in plaats van hele koppeling.

Zoals men ziet in de tabel zou als de koppeling maar voor de helft geldt, de AOW-leeftijd in 2060 niet 71 jaar en drie maanden zijn, maar 69 jaar en 1½ maand. Het verschil van ruim 25 maanden ontstaat langzaam in de tijd. Als de wens van de vakbeweging over de koppeling zou worden gehonoreerd, zou in 2040 bijvoorbeeld de AOW een jaar eerder ingaan dan nu wordt voorzien, namelijk met 68 jaar in plaats van 69 jaar.

Berekening van de kosten van een halvering van ‘de koppeling’

Uit: Zorgvisie

Stel dat er vanaf 2019 een nominaal bedrag X wordt vrij gemaakt op de begroting om de stijging van de AOW-leeftijd volgens tabel 1 te halveren. Dus in 2019 wordt de AOW-leeftijd terug gebracht van 66 jaar en 4 maanden naar 66 jaar en 2 maanden, in 2020 van 66 jaar en 8 maanden naar 66 jaar en 4 maanden, enzovoorts. Vanaf 2060 blijft daarna de AOW-leeftijd constant op 69 jaar en 1½ maand. Het bedrag X groeit mee met de AOW-uitkering.

Wat er dus gebeurt is dat in euro’s van 2019 een bedrag X op de begroting wordt vrij gemaakt  dat tot in lengte van jaren constant is. Omdat de verlaging van de AOW-leeftijd — ten opzichte van de geplande verhoging — geleidelijk wordt ingevoerd, is de ruimte 40 jaar lang te groot. Er wordt dus gespaard en die besparingen zijn precies voldoende om de lagere AOW-leeftijd vanaf 2060 tot in de eeuwigheid te financieren.

Geef de nominale AOW-uitkering per persoon in 2018 aan met a (momenteel bedraagt de bruto AOW-uitkering gemiddeld 12.000 euro per persoon, dus a = 12.000). Als a even hard groeit als het nationaal inkomen, zeg met een groeivoet van g per jaar, zal in 2060, ten opzichte van 2020 de uitkering a(1+g)42 bedragen. We nemen aan dat het aantal mensen van 67 jaar oud, 68 jaar oud enzovoorts tot en met 71 jaar voor de komende veertig jaar constant is en gelijk aan N (in 2060 bedraagt N volgens CBS-gegeven ongeveer 200.000 in ieder jaarcohort van 67 tot en met 71 jaar). De verlaging van de AOW-leeftijd in 2060 met twee jaar kost dan in huidige euro’s Z = 2Na S, waarbij S de eventuele besparingen in andere uitkeringen voorstelt. Na 2060 blijft dit bedrag — afgezien van de indexering van de uitkering — constant, omdat dan de AOW-leeftijd niet langer verandert. In euro’s van 2060 kost de verlaging van de AOW-leeftijd Z(1+g)j voor j = 42. In de jaren voor 2060 zal door de geleidelijke stijging van de AOW-leeftijd dit bedrag in huidige euro’s een fractie van Z bedragen. In jaar j is dit bedrag een fractie i(j) van Z waarbij j loopt van 1 tot en met 42 en j = 1 staat voor 2021 en j = 42 staat voor 2060. De totale kosten van de leeftijdsverlaging vanaf 2021 bedraagt dan in contante waarde in 2021:

waarbij λ = (1+g)/(1+r). De tweede term in bovenstaande vergelijking (1) zijn de kosten van de leeftijdsverlaging na 2060. De ruimte X die vanaf 2019 structureel op de begroting moet worden vrij gemaakt, moet voldoende zijn om de kosten K van de gedeeltelijke ontkoppeling van de levensverwachting aan de AOW-leeftijd te dekken. Daar X met de AOW-uitkering meegroeit moet gelden dat:

Gegeven de netto kosten van de verlaging van de AOW-leeftijd in huidige euro’s, Z, kan dan met behulp van vergelijkingen (1) en (2) X uitgerekend worden.

De berekening van de structurele ruimte op de begroting

Voor de berekening van de structurele ruimte op de begroting, die we hier boven X hebben genoemd, is de waarde van λ = (1+g)/(1+r) een mede bepalende factor. Relevant is hier vooral het verschil r g. Voor empirische schattingen van deze waarde kunnen we te rade gaan bij Piketty. Hij betoogt in zijn beroemde boek Capital dat deze eeuw de waarde van r g ongeveer 3% zal bedragen. In mijn berekeningen experimenteer ik met waarden van r g tussen 2% en 4%. Gegeven de voorspellingen van Piketty is een waarde van r g gelijk aan 4% aan de hoge kant, maar daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat in het bovenstaande is aangenomen dat de AOW-uitkering meegroeit met het nationaal inkomen. Het recente verleden laat zien dat dit slechts zeer zelden het geval is. Als de AOW-uitkering de groei van het nationaal inkomen maar beperkt volgt, betekent dat voor de kosten van de AOW een lagere waarde dan g genomen moet worden om de ontwikkeling van de kosten van de AOW te berekenen.

De waarde van Z kan bepaald worden als de kosten van het verlagen van de AOW-leeftijd ten opzichte van de huidige verwachting die in tabel 1 is gegeven. Op basis van de nu bekend zijnde ontwikkeling van de levensverwachting (vanaf 65 jaar) tot 2060 staat het nu vast dat de AOW-leeftijd zal toenemen van 67 jaar en 3 maanden in 2024 tot 71 jaar en 3 maanden in 2060. Op grond van de half-op-een koppeling zou dat 69 jaar en 1½ maand worden. In 2060 hebben dus ruim twee jaargroepen extra recht op een AOW-uitkering. Dat zijn ongeveer 400.000 mensen. Een AOW-uitkering kost in huidige euro’s gemiddeld ongeveer 12.000 euro bruto per jaar, zodat de extra AOW-uitgaven in 2060 dus 400.000 maal 12.000 euro bedragen, ofte wel 4,8 miljard euro. Dit bedrag is een bruto-bedrag, In 2017 ontvingen de 60-64 jarigen (die dus nog geen AOW ontvingen) in totaal voor bijna 5,5 mrd euro aan sociale-zekerheidsuitkeringen. Voor ieder jaar dat de AOW-leeftijd wordt verhoogd kost dat de overheid aan uitkeringen dus gemiddeld 1,1 miljard euro. Het netto bedrag komt dan uit 4,8 – 2,2 = 2,6 miljard euro. Het kabinet noemde een bedrag van 6 miljard euro. Als we dan 2,6, 4,8 en 6 miljard euro als mogelijke extra uitgaven (in huidige euro’s) aan de AOW nemen en een rentevoet minus groeivoet van, respectievelijk, 2, 3 en 4% nemen, dan zien we in tabel 2 de resultaten voor X, ofte wel de noodzakelijke bezuinigingen die in 2018 hadden moeten worden gedaan ter financiering van de half-op-een koppeling.

In het beste geval kost de vervanging van de een-op-een koppeling 1,3 miljard euro structureel in huidige euro’s en in het slechtste geval is 4,1 miljard euro nodig.

Merk tenslotte nog op dat in bovenstaande berekening ook nog de tijdelijke vertraagde verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2024 in plaats van in 2021 is inbegrepen. Deze laatste operatie zou volgens premier Rutte 4,5 miljard euro incidenteel kosten, naast de 6 miljard euro structureel die het vertragen van de een-op-een koppeling zou kosten. Die beide operaties kun je in een keer uitvoeren voor minder dan het bedrag dat Rutte noemde voor alleen het deels loslaten van de een-op-een koppeling.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.