Thomas Piketty in 2013: kapitalisten worden rijker dankzij r > g

In 2013 publiceerde de Franse econoom Thomas Piketty zijn boek over kapitaalinkomen in de 21e eeuw. Het boek (bijna 600 bladzijden dik, exclusief noten en dergelijke) maakte, na vertaling in het Engels, grote opgang en had eigenlijk één centrale stelling. Die was dat, net als in de 18e en 19e eeuw, vermogende mensen steeds rijker worden ten opzichte van de mensen die van een ‘gewoon’ looninkomen moeten rondkomen. Het was eigenlijk niet zo’n verrassende stelling, omdat het een soort wetmatigheid in de economie is dat de groei van kapitaalinkomen op de lange termijn hoger moet zijn dan de groei van looninkomen.

Waarom dat zo is, wordt beneden uitgelegd. Piketty laat aan de hand van gegevens over kapitaalbezit en de groei daarvan zeer uitvoerig zien dat die wetmatigheid opgaat, behalve in een groot deel van de 20e eeuw. Dat kwam omdat een groot deel van het kapitaal in de 20e eeuw door oorlogen en depressies werd vernietigd. Maar vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw zien we weer een toename van de hoge inkomens. Er dreigt een groeiende ongelijkheid te ontstaan. Dat komt dit keer niet door de adel met zijn uitgebreide bezittingen aan land, maar vooral ook door de ‘nieuwe managers’ waaronder “self-employed entrepreneurs”, zoals Piketty op blz. 280 schrijft.

De ontvangst van Piketty’s boek

Het boek van Piketty werd in Nederland en elders wisselend ontvangen. Sommigen smulden van zijn boodschap en meenden dat een nieuwe Karl Marx was opgestaan. Volkskrantjournalist Hans Wansink schreef in zijn krant zelfs dat dankzij Piketty ”de neoklassieke hegemonie die te lang het economie-onderwijs in zijn greep heeft gehouden, te maken kreeg met creatieve destructie.” Piketty heeft volgens Wansink bijgedragen aan “het onklaar maken van het neoklassieke discours in de economische wetenschap én ver daarbuiten”.

Marxistische economen echter, die kapitalisten als uitbuiters zien, vonden juist dat Piketty te veel in het neoklassieke paradigma bleef hangen. Piketty had naar hun smaak te weinig oog voor de opvatting van kapitaal als basis voor macht en machtsmisbruik (zie hier). Piketty’s beroemde boek stoelt inderdaad op neoklassieke uitgangspunten, waarbij er van uitgegaan wordt dat kapitaal beloond wordt volgens zijn marginale product, namelijk de rente. Zonder die uitgangspunten had hij dat boek zelfs niet kunnen schrijven. Een andere neoklassieke aanname, bijvoorbeeld, is dat je kapitaal kunt meten, eenvoudigweg door de waarde van niet-menselijke hulpmiddelen die gebruikt worden bij de productie van goederen en diensten (machines, gebouwen, computers, etc.) bij elkaar op te tellen. Die meting is nogal cruciaal in het boek van Piketty, maar volgens een Marxistisch econoom is zo’n meting neoklassieke onzin: de waarde van kapitaal wordt vooral bepaald door manipulatie van de kapitaalbezitters. Zij kunnen, afhankelijk van de situatie, soms de waarde van hun bezit kunstmatig oppompen en soms klapt de waarde uit elkaar. Volgens Marx konden ‘kapitalisten’ dankzij het bezit van ‘kapitaal’ arbeiders uitbuiten. Wat dat ‘kapitaal’ dan precies was, deed er eigenlijk niet toe. Het was eigendom dat op een of andere manier macht opleverde. Voor Piketty waren dat zinloze overwegingen. Hij baseerde zich liever op ‘objectieve’ gegevens.

Het is daarom misschien wel heel erg ironisch dat de gereputeerde econoom Paul Romer Piketty van mathiness beschuldigde (zie hier voor een uitgebreide discussie over mathiness). Piketty gebruikt in zijn boek namelijk een economisch model (al staat het niet zo duidelijk in zijn beroemde bestseller) en hij formuleert zijn model zo dat hij precies er uit krijgt wat hij wil, namelijk dat het aandeel van kapitaal in het nationaal inkomen vrijwel onbeperkt kan blijven toenemen. Dit leverde hem de banvloek van Romer op.

Mensen ter rechterzijde van het politiek-economische spectrum vonden de boodschap van Piketty al evenmin aangenaam, maar dan om een heel andere reden. Anna Dijkman, indertijd hoofdredacteur van de internetsite Das Kapital, gelieerd aan Geen Stijl, betwistte de conclusie dat kapitaaleigenaren exorbitant rijk waren. Zij probeerde dat in 2014 te staven aan de hand van bewijsmateriaal van elders. Het Nederlandse CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) had toen al uitgerekend dat de top 1% van de Nederlandse vermogensbezitters 20% van het nationale vermogen bezit en de top 10% bezit 60%. Die percentages waren van 2008 tot 2014 nagenoeg constant. Dat laatste lijkt een weerlegging van Piketty’s claim dat de waarde van het kapitaal stijgt ten koste van looninkomens. Bedenk echter dat als gevolg van de kredietcrisis in 2007/2008 en het optreden van Centrale Banken de rentestanden naar ongekend lage waarden rondom nul procent zijn gedaald. Er kan dan geen sprake zijn van groei van kapitaalinkomens, maar er was in deze periode al evenmin van groei van looninkomens sprake. Deze stagnatie in de groei van kapitaalinkomens was slechts tijdelijk, zoals dezelfde stagnatie in grote delen van de twintigste eeuw ook tijdelijk was, al duurde die stagnatie onder invloed van wereldoorlogen en economische depressies wel erg lang.

Een andere typisch rechtse reactie kwam van Willem Vermeend. Volgens Vermeend heeft Piketty een foute visie op de toekomst. Renteniers die je vroeger had, zoals leden van de adel en grootgrondbezitters die hun dagen vulden met bals, soirées, jachtpartijen, en dergelijke, bestaan niet meer en komen ook niet meer terug. De echt vermogende mensen zijn ondernemers die werken voor hun brood. Piketty beweerde echter nergens dat kapitaaleigenaren renteniers waren. Hij schaarde onder de kapitaaleigenaren heel expliciet de vermogende ondernemers en topmanagers van bedrijven, zoals Mark Zuckerberg of Bill Gates. Dat was wel (inderdaad Wansink) met een kleine niet neoklassieke twist. Topmanagers en/of eigenaren van grote bedrijven worden niet rijk omdat hun marginale productiviteit zo hoog is (zoals de neoklassieke economie zou aannemen), maar omdat ze door hun machtige positie in staat zijn zelf hun beloning te bepalen. Hier spreekt dan wel een beetje Marxist Piketty, maar op het gebied van de meting en beloning van kapitaal is Piketty puur neoklassiek.

Piketty’s resultaat geldt dankzij r > g

Mijn allereerste onderzoek vlak na mijn afstuderen in 1976 ging over inkomensongelijkheid. Ik wilde nagaan of door de toename van het opleidingsniveau van de bevolking de inkomensongelijkheid zou afnemen. Zoals ik eerder vermeldde, mislukte dat onderzoek. Althans, er kwam niet uit wat ik hoopte (toen wist ik nog niet dat ieder empirisch resultaat, positief of negatief, een resultaat was). Twaalf jaar later schreef ik een proefschrift over overheidspensioenen. Eigenlijk ging het proefschrift over wat ik toen de Aaron-conditie noemde, namelijk over de verhouding tussen de opbrengst op kapitaal (r) en de stijging van de lonen (g). Wat ik nog niet zo goed wist toen was dat r ‘normaal gesproken’ groter moet zijn dan g.

Waarom r>g moet gelden, is eigenlijk heel eenvoudig in te zien. De redenering gaat ongeveer als volgt. Beleggingen komen van mensen die geld over hebben (zij sparen) en dat geld kan gebruikt worden voor de financiering van schulden, bijvoorbeeld de hypotheken van gezinnen. Gezinnen hebben een looninkomen dat dus stijgt met g. Als g groter zou zijn dan r, dan zal de schuld als percentage van het gezinsinkomen dalen. Als je namelijk nooit iets aflost op je schuld, stijgt de schuld met de rente die je over die schuld moet betalen. Die rente is bij benadering gelijk aan de opbrengst op beleggingen, ofte wel r. Als je zonder ooit iets af te lossen op je schuld toch ziet dat die schuld in vergelijking met je inkomen steeds minder waard wordt, dan wordt het wel heel aantrekkelijk om schulden te maken en heel onaantrekkelijk om geld uit te lenen of te beleggen. Met andere woorden, als r kleiner is dan g zal er steeds meer geleend en steeds minder gespaard worden. Maar als niemand meer wil sparen, kan er ook niets meer worden uitgeleend. Dat betekent dat r moet gaan stijgen om sparen (en dus beleggen) weer aantrekkelijk te maken, totdat r groter is dan g (r>g).

Thomas Piketty heeft dus gelijk. Zijn boodschap baseerde hij op zeer omvangrijk onderzoek van statistieken in diverse landen en op de ongelijkheid r>g die in een groot deel van de 20e eeuw niet gold, maar nu (weer) wel. Omdat r>g zien mensen met vermogen (de rijkaards) hun vermogen harder groeien (met r) dan het inkomen van de mensen die met werken hun brood moeten verdienen. Je hoeft dus niet eens, zoals Piketty, een dik boek te schrijven om in te zien dat het vermogen van kapitalisten harder stijgt dan het inkomen van de mensen met looninkomen. Als je weet dat r>g geldt, volgt dat direct. Maar het is even goed wel jaloers makend dat Piketty twee van mijn vroegere hobby’s (inkomensongelijkheid en sparen versus AOW) in 2013 in een boek verenigde en daar beroemd mee werd. Maar het was dan ook wel een heel goed boek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.