De optimale inkomstenbelasting (College 8: EvdO)

De leer van de optimale inkomstenbelasting is een van de meest controversiële onderwerpen in de economische theorie. Deze leer probeert regels af te leiden die er voor moeten zorgen dat de inkomstenbelasting met zo min mogelijk negatieve economische effecten op zo rechtvaardig mogelijke manier wordt geheven. Makkelijker gezegd dan gedaan.

De inkomstenbelasting moet doelmatig en rechtvaardig zijn

Het vakgebied economie van de overheid heette traditioneel ‘de leer der openbare financiën’ en, zoals de naam al suggereert, ging het grotendeels over belastingen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is belastingtheorie een van de (vele) onderdelen van het vak, maar uiteraard wel een belangrijk onderdeel. In het veel gebruikte leerboek Economics of the Public Sector van Joseph Stiglitz en Jay Rosengard wordt ongeveer een kwart (zo’n 250 bladzijden) in beslag genomen door belastingen. Ik beperk me hier tot de leer van de optimale inkomstenbelasting. Waar deze leer zich mee bezighoudt is eenvoudig uit te leggen. We weten dat het heffen van (inkomsten)belasting kosten met zich meebrengt, namelijk administratieve kosten die de belastingbetalers en de belastingontvangers moeten maken om het belastingformulier (digitaal) in te vullen en de economische kosten die ontstaan omdat mensen hun gedrag kunnen veranderen als ze weten dat er belasting moet worden betaald.

Door belastingen gaan mensen misschien minder werken, of meer zwart werken, hun vermogen op een Zwitserse bank zetten, ze emigreren naar het buitenland, enzovoorts. Als de overheid belastingen invoert, moet ze daar rekening mee houden. Het is contraproductief om belastingtarieven zo hoog te zetten dat de belastingopbrengst door de gedragseffecten lager is dan bij lagere tarieven. Naast deze eis van ‘doelmatigheid’ is er de eis van ‘rechtvaardigheid’. Wat de laatste eis betreft vond de founding father van de economische wetenschap Adam Smith al dat belastingheffing zo veel mogelijk naar draagkracht moest gebeuren. Over de toepassing van het draagkrachtbeginsel wordt al meer dan 200 jaar getheoretiseerd en gedebatteerd in de economische theorie, maar tot een eenduidig oordeel is het nooit gekomen.

Mensen gaan minder hard werken door inkomstenbelasting

Dat de inkomstenbelasting op een doelmatige en rechtvaardige wijze moet worden geheven, daarover zijn alle economen het eens. Deze eensgezindheid verdwijnt echter wanneer het over de invulling van dit beginsel gaat. Economen zijn het niet eens over wat een ‘echt’ rechtvaardige belasting is, maar ook niet over wat doelmatig is. Voor we het over die onenigheid gaan hebben, gaan we eerst kijken waar het bij die doelmatigheid nu precies over gaat. We weten dat belastingheffing met verlies gepaard gaat: verlies aan arbeid (mensen gaan minder werken naarmate de belasting hoger is), verlies aan vermogen (mensen gaan minder sparen), verlies aan intellectuele capaciteit (mensen zullen zich minder scholen als ze er minder aan overhouden), enzovoorts. De overheid moet proberen dit verlies zo laag mogelijk te houden bij een gegeven nagestreefde belastingopbrengst. In theorie kan de overheid dat heel eenvoudig doen. Neem bijvoorbeeld het individuele arbeidsaanbod. Volgens de theorie maken mensen bij hun besluit om te gaan werken een afweging tussen de waarde die vrije tijd voor hen heeft en de waarde die geld voor hen heeft. Hoe harder je werkt, des te meer geld, maar des te minder vrije tijd je hebt. Ergens is er voor een individu een optimum, zeg bijvoorbeeld bij 40 uur werken in de week. De overheid heeft invloed op deze beslissing via belastingen en uitkeringen. In theorie kan de overheid uitrekenen wat de gevolgen ervan zijn voor het individuele arbeidsaanbod.

 

‘Don’t worry! Since 28% of my salary goes to the government, I’ve decided to work 72% of the time!’

Behalve belastingen hebben ook uitkeringen gevolgen voor het individuele arbeidsaanbod. Als er minimum-uitkeringen bestaan, kan men wellicht een ‘arbeidsloos inkomen’ claimen. Dat is (volgens de theorie!!) het beste van twee werelden: men krijgt geld (hetgeen een bijdrage levert aan het individuele welzijn) en men krijgt ook nog eens heel veel vrije tijd.

De optimale belasting tast de werklust van mensen minimaal aan

Belasting betekent dat werken per uur minder oplevert. Dat maakt werken minder aantrekkelijk, maar het maakt ook vrije tijd minder aantrekkelijk, omdat door minder te gaan werken je inkomen om twee redenen daalt (namelijk lager netto loon per uur en ook nog eens minder uren). Er zijn dus twee effecten van belastingheffing, namelijk: vrije tijd wordt ‘goedkoper’, zodat het aantrekkelijk is om minder te werken, maar minder werken levert veel minder geld en dus veel minder mogelijkheden tot consumptie op. Welke van die twee effecten van belastingheffing het belangrijkste is, valt bij voorbaat niet te zeggen. Laten we zeggen dat het gevolg is dat mensen twee uur minder per week willen (en kunnen) gaan werken. Men kan uitrekenen dat dit een behoorlijk negatief gevolg voor de inkomstenbelasting zal hebben.

Hoe kan de overheid dit effect beperken? Eenvoudig: door de uitkeringen en/of de belastingen te verlagen. Uitkeringen hebben, volgens de theorie, ook effect op de werklust van mensen en lijken daarom dus ook op belastingen. Uitkeringen zijn in feite negatieve belastingen. Uitkeringen verlagen is om minstens twee redenen ‘aantrekkelijk’. Ten eerste, bij lagere uitkeringen kunnen de belastingtarieven ook omlaag. Ten tweede worden mensen met een hoge voorkeur voor vrije tijd door lagere uitkeringen aangemoedigd meer te gaan werken. Daardoor stijgt de belastingopbrengst en kunnen de tarieven nog verder omlaag. Lagere belastingtarieven betekent opnieuw dat mensen gestimuleerd worden meer te gaan werken en dat geldt dan vooral voor mensen die in de hoogste marginale tarieven vallen. Lage uitkeringen en, mede daardoor, lage marginale tarieven geeft de beste garantie op doelmatige belastingheffing. Het is zelfs zo dat op basis van deze redenering de rijkste mensen de laagst marginale tarieven zouden moeten krijgen. Dat lijkt dus op een Trump tax. Maar is dat wel rechtvaardig? En: weten we zeker dat het doelmatig is?

Moeten de superrijken een marginaal belastingtarief van nul hebben?

James Mirrlees is een van de knapste economen ter wereld. Hij heeft zich bezig gehouden met de vraag hoe de marginale tarieven voor de inkomstenbelasting zouden moeten verlopen. Zouden de hoogste inkomens de hoogste marginale tarieven moeten krijgen en de laagste inkomens de laagste? Het lijkt een retorische vraag, maar het economisch-theoretische antwoord van Mirrlees op die vraag was precies omgekeerd aan wat men zou verwachten: de allerlaagste inkomens zouden de hoogste marginale tarieven moeten krijgen en de allerhoogste inkomens de laagste marginale tarieven. De allerrijkste belastingbetalers zouden zelfs een marginaal tarief van 0% moeten betalen. Dit lijkt een verrassende conclusie, maar op basis van de theorie van het arbeidsaanbod die wij hierboven (kort) behandelden, is de conclusie niet zo verrassend. Laten we ons beperken tot de superrijken. Als zij geen belasting hoeven te betalen over het extra inkomen dat zij verdienen boven een bepaalde (hoge) grens, zullen zij extra gestimuleerd worden harder te werken. Dat is goed nieuws voor de maatschappij, want de superrijken zijn de productiefste werkers in de maatschappij en we worden er allemaal beter van als zij nog harder werken en dus meer produceren. Ik probeer deze theorie altijd uit te leggen aan de hand van een concreet persoon, bijvoorbeeld Maria Sharapova.

Studenten zien dan onmiddellijk in waarom de theorie van Mirrlees voor dit geval vast loopt. Het arbeidsaanbodmodel achter deze theorie gaat niet op voor de superrijken, zoals sportsterren, CEO’s, topacteurs, topmusici, enz.. Hun inkomen per uur wordt niet door de markt bepaald, zoals de theorie aanneemt, maar voor een groot deel door henzelf. Als het marginale tarief nul is, zouden deze mensen niet harder gaan werken, maar zichzelf meer toerekenen. Ze hoeven immers geen belasting over dat extra inkomen te betalen.

Conclusie?
Sommige economen denken dat de theorie van de optimale belastingheffing tot heel precieze adviezen kan leiden over hoe hoog (of laag) belastingtarieven mogen zijn. In Nederland betoogde bijvoorbeeld Bas Jacobs 5 jaar geleden dat het tarief van de inkomstenbelasting verlaagd zou moeten worden van 52% naar 49%. Die aanbeveling was gebaseerd op alleen doelmatigheidsoverwegingen (dus beginselen van rechtvaardige belastingheffing speelden geen rol), waarbij empirische schattingen tot het percentage van 49 leidden. Het vereist grote mentale lenigheid om door Jacobs gepresenteerde schattingen te aanvaarden als relevant voor 2018 (of voor 2013). Dit herinnert ons er aan dat economische theorie een nuttig instrument is om je gedachten te bepalen over economische onderwerpen, maar, zoals Keynes, meer dan 75 jaar geleden al zei, je altijd moet kijken welke theorie het beste past bij welk probleem en ook of een plaats- en tijdgebonden statistische beschrijving van toepassing verklaard kan worden op andere tijden of andere plaatsen.

Dit is het einde van college 8. Ga hier naar college 9 of keer terug naar het overzicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.