Belastingconcurrentie (College 7: EvdO)

Belastingconcurrentie doet zich voor als min of meer vergelijkbare landen azen op eenzelfde soort ‘kapitaal’. Dat kapitaal kan bestaan uit hoog opgeleide specialisten, het kan een fabriek zijn, een groot multinationaal bedrijf, zoals Starbucks, het kan ook het hoofkantoor van een bedrijf zoals Unilever zijn, maar het kan ook gewoon mensen met (veel) geld zijn. We beperken ons hier tot niet-menselijk fysiek kapitaal. De vragen zijn hoe overheden met belastingmiddelen fysiek kapitaal proberen aan te trekken en of dat een welvaartsverhogende activiteit is. Het antwoord op de laatste vraag zal bijna altijd negatief zijn.

Landen willen graag meer kapitaal binnen hun grenzen hebben en gaan er daarom de concurrentiestrijd voor aan met andere landen. Deze concurrentie kan op verschillende manieren ‘gespeeld’ worden. De meest gehaaide manier is, om zoals onder meer Nederland doet, allerlei afspraken met landen en/of bedrijven te maken met als eindresultaat dat Nederland een zogenaamde tax haven is geworden. Dit is zozeer voer voor fiscaal specialisten dat economen zich met deze vorm van fiscale tovenarij nauwelijks hebben bezig gehouden. De economische theorie heeft zich voornamelijk beperkt tot belastingconcurrentie door middel van belastingtarieven. Daar valt ook al heel wat aan te zien. Kijk naar het volgende plaatje.

Dat plaatje geeft de ontwikkeling van het tarief voor de vennootschapsbelasting (VpB) in EU-landen. Dit is belasting op de winst en dus een belasting op de eigenaren van een onderneming die ‘kapitaal’ in de onderneming hebben gestoken. De VpB is dus een belasting op kapitaal en het plaatje vertelt ons dat het tarief van die belasting voortdurend is gedaald in de EU. Kapitaaleigenaren worden steeds meer ontzien. Dat is dan niet omdat de regeringen van die landen op de hand van de kapitalisten zijn, maar omdat ze denken dat het goed is voor hun land als er meer kapitaal is en dat een lager VpB-tarief daar voor kan zorgen. Als het eerste (“meer kapitaal is goed”) al waar is, dan is het tweede (“lager VpB-tarief trekt meer kapitaal aan”) heel vaak niet waar.

Belastingconcurrentie kan tot een lagere welvaart leiden

Belastingconcurrentie tussen landen leidt tot een lagere welvaart dan wanneer die landen gezamenlijk optrekken in hun belastingpolitiek. Dat was de conclusie die de theorie veertig jaar geleden trok. Die conclusie werd getrokken door de nodige wiskunde op het probleem los te laten, maar gelukkig kan het resultaat ook in gewoon Nederlands worden uitgelegd. We stellen ons voor dat we ons in een economische unie, zoals de EU bevinden, maar, anders dan in de EU, zijn in die unie alle landen precies gelijk aan elkaar. Ze doen daarom onafhankelijk van elkaar allemaal hetzelfde, zonder dat ze zich dat realiseren. Stel nu eens dat er in deze unie een VpB-tarief geldt van bijna 50%, zoals dat veertig jaar geleden ook in de EU gold (zie plaatje). Met de opbrengst op de VpB kunnen alle overheden in onze unie mooie dingen doen, bijvoorbeeld een onderwijsstelsel financieren, ook goed voor de economie. Maar op zekere dag komt er een overheid, zeg in land X, op het idee dat het handig zou zijn om het belastingtarief te verlagen. Een verlaging van het belastingtarief betekent immers dat het voor ‘kapitaal’ in de unie aantrekkelijker wordt naar land X te verhuizen en hoewel het tarief in land X dan lager is geworden, zal de belastingopbrengst door het extra kapitaal kunnen toenemen, zodat het onderwijsstelsel in land X nog beter kan worden. Kassa! Helaas, overheid X weet niet dat alle landen in de unie hetzelfde zijn en dus ook hetzelfde denken en dat blijkt: het belastingtarief gaat in alle landen van de unie omlaag. Uiteindelijk zal het tarief, net als in de EU (gemiddeld) is gebeurd, gehalveerd zijn. Omdat de tarieven nog steeds in alle landen gelijk zijn (maar dus half zo hoog als eerst), zal er ook geen enkel stukje kapitaal verschoven zijn van het ene land naar het andere.  In dit voorbeeld leidt belastingconcurrentie tussen identieke landen in een unie er toe dat de VpB-tarieven zullen kelderen, maar dat geen enkel land er in zal slagen meer kapitaal (bedrijven, hoofdkwartieren van bedrijven, investeringen) aan te trekken. Dat komt omdat er uiteindelijk geen verschil in tarieven zal zijn en kapitaal dus blijft zitten waar het al zat. De enige groep die hier beter van wordt is de groep van kapitaaleigenaren, bijvoorbeeld van multinationals: zij betalen minder belasting dan voorheen.

Als de belastingopbrengst gebruikt wordt om er publieke voorzieningen mee te financieren, zoals onderwijs, dan zijn die voorzieningen het kind van de rekening. Dan leidt belastingconcurrentie tot kaalslag in de publieke sector. Dat kan gebeuren zonder dat de overheden dat wilden: ze dachten echt dat ze door tariefsverlaging hun collectieve sector zouden kunnen oppimpen, maar ze hadden niet kunnen vermoeden dat ook andere overheden zulke slimme ideeën konden hebben.

De economische unie kan beter belasting heffen

De conclusie is dus dat belastingbeleid met grensoverschrijdende effecten beter niet aan de afzonderlijke overheden in een unie kan worden overgelaten. Laat dat over aan de centrale overheid van de unie die met de belangen van alle landen tegelijkertijd rekening kan houden. In dit geval van identieke landen is het nogal duidelijk wat deze centrale overheid zou moeten doen. Die houdt het tarief gewoon op 50%, zoals het dat in den beginne was. De multinationals zullen niet blij zijn, maar verder zal iedereen blij zijn: de overheid van de lidstaten zijn blij, want de belastingopbrengst daalt niet en de burgers zijn blij, want het onderwijsstelsel bloeit net als tevoren. Mooi, waarom passen we zo’n simpel recept (“centraliseer de belastingheffing”) eigenlijk ook niet in de EU toe. Waarom laten we het toe dat de landen onder elkaars duiven schieten? Misschien omdat ons uitgangspunt dat alle landen gelijk zijn een beetje te simpel was? Inderdaad, want als landen alleen al in grootte verschillen wordt de conclusie anders, namelijk:

Kleine landen hebben meer te winnen dan grote landen

Als landen in een economische unie identiek zijn, dan is het eenvoudig in te zien dat de centrale overheid de belastingtarieven moet vaststellen. Maar als de landen niet identiek zijn, er zijn bijvoorbeeld kleine landen en grote landen, dan is de conclusie minder duidelijk. Kijk eens naar de tabel, hieronder.

In de tabel staan voor negen EU-landen de VpB-tarieven in 1996 en 2015. De eerste vijf landen zijn (demografisch of economisch) kleine landen en de vier laatste landen zijn groot. We wisten al (zie boven) dat de VpB-tarieven de afgelopen jaren flink gedaald zijn, maar we zien nu ook dat die daling bij de kleine landen veel groter was. Dat is geen toeval. Als een klein land het VpB-tarief met 1% verlaagt, zal het effect op de hoeveelheid kapitaal wel ongeveer even groot zijn als wanneer het grote land het VpB-tarief met 1% verlaagt. Een hoeveelheid extra kapitaal ter waarde van zeg 10 miljard euro zal voor een klein land echter een veel groter effect op het nationaal inkomen hebben dan voor een groot land. Kleine landen hebben er dus meer belang bij het VpB-tarief te verlagen en dat is wat we in de tabel zien gebeuren. Ook in dit geval is het beter om de VpB-tarieven op een centraal niveau vast te leggen in plaats van dat aan de decentrale lidstaten over te laten, maar tegelijkertijd is het ook duidelijk dat de kleine landen daar niet veel belang bij hebben: door hun lagere tarieven halen ze immers kapitaal weg bij de grote landen. Belastingconcurrentie levert dit keer geen windeieren op. Dus, waarom zouden ze daar mee ophouden? Het is opvallend te zien dat in de EU, waar kleine landen als Nederland, Cyprus en Ierland weinig in de melk te brokkelen hebben, zij toch hardnekkig in staat blijven belastingparadijzen voor de kapitaaleigenaren te zijn. Zij verzetten zich kennelijk met hand en tand tegen iedere vorm  van centralisatie van belastingheffing in de EU.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.