Verkiezingen en stemmen in de (Europese) Unie (College 3 EvdO)

Het Nederlandse parlement heeft wetgevende bevoegdheid. Als een wet door het parlement is aangenomen, is deze ook van kracht. Als je als kiezer voor, bijvoorbeeld, een verlaging van de belastingtarieven bent, dan stem je bij de parlementsverkiezingen op een politieke partij die daar ook voor is. Als die partij dan groot genoeg is en een meerderheid in het parlement weet te mobiliseren voor lagere belastingtarieven, dan ben je als kiezer in je missie geslaagd. Geldt dat ook bij verkiezingen voor het Europese parlement?

Wie heeft wetgevende bevoegdheid in de EU?

The Economist

Het Europese parlement (EP) kan geen wetsvoorstellen indienen, dat kan alleen de Europese Commissie (EC). De EC is geen gekozen orgaan, zodat het er op lijkt dat de Europese kiezer helemaal geen invloed op de Europese wetgeving heeft. Dat is niet helemaal waar, omdat het EP de EC wel kan verzoeken bepaalde wetsvoorstellen voor te bereiden en bij het EP in te dienen. Het EP moet namelijk wel de voorstellen van de EC goedkeuren en kan die ook veranderen. Ook dat is niet helemaal waar (de EU zit ingewikkeld in elkaar), want de voorstellen van de EC moeten ook door de Raad van de Unie (RU) worden goedgekeurd. De RU wordt gevormd door vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten. Als het EP een wetsvoorstel accepteert, maar de RU niet, dan is het wetsvoorstel alsnog verworpen en moet het terug naar de EC. Waar kies je dus voor als je als kiezer je stem voor het EP uitbrengt? Dat is inderdaad onduidelijk; als Europese kiezer is je invloed op het Europese beleid misschien wel groter via de nationale verkiezingen. De nationale regering heeft immers via het lidmaatschap van de RU ook invloed op de Europese wetgeving.

De Raad van de Europese Unie domineert Europese wetgeving

De invloed die kiezers op de nationale wetgeving uitoefenen is in een ‘gewoon’ parlementair stelsel heel indirect, maar in de EU tast de kiezer echt in het duister over haar invloed. Het is moeilijk in te schatten welk orgaan de meeste invloed heeft op beslissingen in de EU. Aangezien zowel het Europese parlement (EP) als de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten in de Raad van de Europese Unie (RU) een wetsvoorstel van de Europese Commissie (EC) moeten goedkeuren, zou een kiezer moeten weten of het EP of de RU het meeste gewicht in de schaal legt. De ironie is dat het de kiezer zelf is die dat bepaalt. Onder experts wordt vrij algemeen aangenomen dat de RU het meeste te verliezen heeft bij wetgeving die door de eigen bevolking niet wordt geaccepteerd. De regeringen van de lidstaten moeten zich immers in hun nationale parlementen verantwoorden en nationale parlementsverkiezingen worden door de kiezers belangrijk gevonden. Kiezers kunnen dan zien dat de daden van hun vertegenwoordigers in het EP weinig politieke consequenties hebben: zij kennen die vertegenwoordigers vaak niet eens! Het stemgedrag van de regeringen in de RU telt dus zwaarder dan het stemgedrag van de vertegenwoordigers van de EU-kiezers in het EP. Het gevolg is dat de invloed van de kiezer op wetgeving in de EU voornamelijk bepaald wordt door nationale verkiezingen (die indirect ook verkiezingen voor de RU zijn), terwijl het belang van Europese verkiezingen te verwaarlozen is. Het is dus zeker niet verwonderlijk dat Europese verkiezingen weinig populair zijn bij de Europese kiezers.

De invloed van lidstaten in de Raad van de Europese Unie

De logische vervolgvraag is dan wat de invloed van de nationale regeringen is op Europese wetgeving. In de RU gold tot 2014 een ‘gekwalificeerde’ meerderheid. Hierbij kreeg een stem van een regering een gewicht dat afhing van de bevolkingsomvang van het land. In het plaatje hierboven worden deze gewichten gegeven voor vijf perioden. Met behulp van deze gewichten kun je uitrekenen hoe vaak een land (en dus zijn kiezers) er toe doen bij het nemen van besluiten. Als land X 25% van de totale bevolking van de EU herbergt en in 25% van de gevallen beslissend is bij het accepteren of verwerpen van een wetsvoorstel van de EC, kun je zeggen dat de invloed van de kiezers van land X in overeenstemming is met de omvang van land X. Dat nu bleek bij de gegeven gewichten niet het geval te zijn. Luxemburg, bijvoorbeeld, had in de beginperiode van de EU zo’n laag gewicht dat de stem van Luxemburg er nooit toe deed. De gewichten die in latere jaren werden gebruikt bleken de grote landen daarentegen te weinig invloed te geven. Mede daarom werden na 2014 niet langer gewichten gebruikt bij de besluitvorming. Nu wordt een voorstel aangenomen als minstens 55% van de landen die tenminste 65% van de EU-bevolking vertegenwoordigen het voorstel steunen. Ook bij deze procedure kun je uitrekenen dat de invloed van een land niet in overeenstemming is met de omvang van de bevolking. De grote landen als Duitsland en Frankrijk blijken nog steeds te weinig invloed te hebben. Daar moet je dan natuurlijk wel bij bedenken dat dit soort berekeningen ervan uitgaan dat de landen stilletjes stemmen over de voorstellen van de EC en dan maar wachten op de uitkomst. Wie Merkel aanschouwt bij de bijeenkomsten van de Europese Raad (dus niet de RU) weet dat de invloed van een economisch sterk land als Duitsland onevenredig veel groter is dan de omvang van zijn bevolking. Die invloed is niet gebaseerd op de formele stemregels die in de RU gelden, maar is gebaseerd op de economische overmacht van het land.

Strategisch stemmen bij de nationale verkiezingen

Als de kiezer inderdaad meer invloed op het Europese beleid heeft via de nationale verkiezingen dan via de Europese verkiezingen, zou de kiezer bij de nationale verkiezingen haar Europese belang zwaarder kunnen laten wegen dan het nationale belang. Als dat zo is kan een strategisch denkende kiezer, die voor een streng maar rechtvaardig asielbeleid is, bijvoorbeeld de volgende afweging maken. Ze weet dat Duitsland dominant is bij de Europese besluitvorming. Duitsland is, als bekend, voor een genereus asielbeleid (“Wir schaffen das”). Hoe kan de Nederlandse kiezer daar tegenin gaan? Niet door een regering af te vaardigen naar de Raad van Europa (RU) die voor een streng maar rechtvaardig asielbeleid is, want dat geeft te weinig tegenwicht tegen de Duitse overmacht. De strategische denkende kiezer weet dat haar vertegenwoordiger in de RU veel strenger moet zijn dan zijzelf. Alleen dan kan misschien het genereuze asielbeleid dat Duitsland voorstaat afgezwakt worden. Ze weet immers dat op het niveau van de RU compromissen gesloten worden; dus als haar vertegenwoordiger een extreme positie inneemt, is er een grotere kans dat het asielbeleid in de door haar gewenste richting geduwd kan worden. Het zou dan beter zijn om voor de Europese besluiten op de PVV in plaats van op Groen Links te stemmen in de hoop dat daardoor een iets minder genereus asielbeleid op Europees niveau tot stand komt. De Oostenrijkers hebben dit strategische inzicht inmiddels onder de knie en hebben een centrum-rechtse regering gekozen die voor een streng asielbeleid gaat.

Populisme als tegenwicht voor Duitse overmacht

Zo kan de populariteit van anti-Europese partijen ook verklaard worden door de wens van Europese burgers om de integratie in de EU te vertragen, maar niet te stoppen. De vorm die de Europese integratie aanneemt wordt immers grotendeels door Duitsland bepaald (en soms ook door Frankrijk). Tegenwicht tegen de overmacht van Duitsland kan alleen gegeven worden door vertegenwoordigers met extreem nationalistische standpunten naar de RU af te vaardigen. Dit geldt natuurlijk alleen onder de aanname dat de kiezer het nationale belang in de EU een groter gewicht in de verkiezingen geeft dan de nationale beleidsvraagstukken.

 

Dit is het einde van College 3. Ga hier naar college 4 of keer terug naar het overzicht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.