Sir Karl Popper, de confirmation bias en (klassieke) economen

Begin jaren 70 tijdens mijn studietijd las ik Karl Popper. Ik was onder de indruk van veel van zijn denkbeelden. Bijvoorbeeld dat de geschiedenis niet volgens wetmatige processen kan verlopen. Als het wel zo zou zijn, kunnen we het toch niet weten, want iedere gebeurtenis is weer uniek. Er is geen manier waarop een historische wetmatigheid getoetst zou kunnen worden.Als economische verschijnselen ook uniek zouden zijn, zouden er ook geen economische wetten kunnen bestaan.

De confirmation bias versus het falsificatieprincipe

De opvatting over de geschiedenis door Popper hangt natuurlijk samen met zijn beroemde falsificatieprincipe. Een wetenschappelijke hypothese is niet sterk als hij bevestigd is, maar als hij verworpen kan worden. Iedere hypothese kun je bevestigen als je de juiste waarnemingen verzamelt. Wetenschappers die op deze manier wetenschap bedrijven, lijden aan een confirmation bias. Zij willen ‘hun’ theorie bevestigd zien en verzamelen daarom alleen maar bewijsmateriaal dat hun theorie ondersteunt. Je moet juist proberen een hypothese zo op te stellen dat de kans dat die verworpen wordt zo groot mogelijk is. Dat maakt de hypothese sterker. Zolang die hypothese stand houdt tegen mogelijk ‘belastend’ bewijs, des te sterker de hypothese wordt. Totdat die alsnog verworpen wordt, natuurlijk. Een hypothese kan makkelijker gefalsifieerd worden naarmate de hypothese preciezer is omschreven en algemener van toepassing is. Een hypothese die alleen maar op een bepaalde plaats en/of voor een bepaalde tijd geldig kan zijn, is minder makkelijk te falsifiëren dan een hypothese die altijd en overal geldig is.

Kijken we nog eens naar de klassieke economen. Zij formuleerden wel algemeen klinkende stellingen (de lonen gaan dalen en de grondprijzen stijgen), maar zeiden er direct bij dat die stellingen gewoon de waarheid weergaven. De werkelijkheid is misschien anders, maar dat komt omdat in de theorie niet alle randvoorwaarden kunnen worden beschreven. De klassieken leden dus niet aan de confirmation bias, want als de theorie zonder meer waar is, hoef je die ook niet te bevestigen. Maar hun theorie was ook niet te falsifiëren, want er bestond geen belastend bewijsmateriaal voor de theorie.

 

Leed Jan Tinbergen aan de confirmation bias?

De Nederlandse econoom Jan Tinbergen was één van de eersten die statistische methoden gebruikte om macro-economische relaties van ‘getallen te voorzien’. Hij deed dit ver voor de Tweede Wereldoorlog. Hij was ongetwijfeld een pionier in het ontwikkelen van de empirische onderzoekmethode in de economie. Maar leed hij ook aan de confirmation bias? Daar moet een genuanceerd antwoord op gegeven worden. In een van zijn eerste empirische studies betoogt Tinbergen dat een statistische toets nooit kan aantonen dat een theorie waar is. Maar een theorie kan wel onwaar blijken te zijn, of onvolledig, als die niet in overeenstemming is met een zekere verzameling data. Dat laatste was een zwaar statement, want hoe kun je dat zeker weten? Misschien gebruikte de onderzoeker wel te weinig data, of waren ze slecht gemeten. Maar Tinbergen was er helemaal niet op uit theorieën te verwerpen. In feite ging hij er van uit dat hij theorieën die waar zijn, kwantificeerde. Dus, zoals we eerder zagen, hij wilde door middel van “multipele correlatierekening en het aanpassen van curven” verbanden tussen economische variabelen weergeven. Hij wilde dus geen hypothesen verwerpen, hij wilde ware hypothesen van een kwantitatieve invulling voorzien. Hij verdiende daarmee de min of meer verholen spot van John Maynard Keynes, die andere economische gigant die voor de Tweede Wereldoorlog actief was. Keynes vond empirisch werk alchemie waar hij zijn neus voor ophaalde. Keynes geloofde meer in economisch redeneren dan in meten. Tinbergen geloofde in beide.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.