Mijn eerste empirische onderzoek (1976-1978)

Na mijn afstuderen in 1976 als econometrist, kreeg ik een baan als tijdelijk wetenschappelijk medewerker bij de VU. Het idee was dat ik een proefschrift zou schrijven. Het onderzoek dat ik wilde doen was geïnspireerd door wie anders dan Jan Tinbergen. Tinbergen beweerde dat door de toename van het opleidingsniveau van de bevolking de inkomensongelijkheid in de maatschappij zou afnemen. Het is een misvatting, zo weet ik nu, maar toen wist ik dat nog niet. 

Hoe economen hypothesen toetsen

Hoe een hypothese getoetst moet worden, wist ik. Uiteraard! Mijn onderzoek ging over het loon van individuen. Als je wilt weten waar loon door bepaald wordt, kun je een beroep doen op de economische theorie. De theorie zegt bijvoorbeeld dat het loon bepaald wordt door de zogenaamde marginale productiviteit van het individu. Dat wil zeggen wat een individu toevoegt aan het product van een onderneming is zijn loon. De productiviteit van een individu wordt natuurlijk bepaald door zijn intellectuele en fysieke capaciteiten (cap), en daar hebben we dan een belangrijke variabele die zijn loon zal bepalen, namelijk cap. De variabele cap is helaas niet rechtstreeks te meten. Dus moeten er benaderingen gezocht worden zoals opleiding en ervaring die ook enig idee geven over individuele capaciteiten. Die benaderingen zijn onvolmaakt, maar economen (of eigenlijk econometristen) zijn heel ingenieus geweest in het bedenken van trucjes om de fouten die je maakt door een benadering te nemen zo klein mogelijk te maken. Uiteindelijk heb je dan een vergelijking opgesteld waarmee je kunt kan nagaan of individuele capaciteiten inderdaad bepalend zijn voor het loon.

Maar het zijn natuurlijk niet alleen individuele capaciteiten die bepalend zijn voor lonen. Het gaat ook om schaarste. Ik wilde de hypothese van Tinbergen toetsen door de ontwikkeling van de loonverhouding van werknemers in de Nederlandse industrie te relateren aan hun relatieve aantal. Als het aantal beter opgeleide werknemers meer zou toenemen dan het aantal minder goed opgeleide werknemers, dan zou het loon van de laatste groep meer moeten stijgen dan dat van de eerste groep: the Tinbergen hypothesis confirmed. De data die ik gebruikte kwamen van het CBS, uit de zogeheten loonstructuuronderzoeken. Toendertijd moest je nog daadwerkelijk naar het CBS toe om gegevens over te schrijven of te kopiëren. Dus dat deed ik en toen kon ik aan de slag. Ik had een regressiemodel (een cross-sectie van tijdreeksen voor de liefhebbers) een hypothese, een computer, data. Wat kon er fout gaan? Veel! Mijn grootste probleem was dat er of niets uitkwam, of het verkeerde resultaat (inkomensongelijkheid nam toe). Ik probeerde van alles om uit te vinden waar de fout zat, maar na twee jaar zoeken kwam ik tot de ontdekking dat ik weer op hetzelfde punt was aanbeland als bij het begin van mijn onderzoek. Mijn eerste onderzoek was mislukt.

Wat als de hypothese niet bevestigd kan worden?

Uit mijn schattingen kwam dus niet het gehoopte effect. Er was reden tot verslagenheid. Je kunt namelijk geen artikel schrijven met als boodschap dat een belangrijke theoretische variabele geen effect heeft. Gelukkig, maar misschien jammer, is de theorie niet specifiek genoeg om te zeggen hoe de relatie tussen variabelen er precies uitziet. Die relatie kan lineair zijn, kwadratisch, loglineair, te veel om op te noemen. Daarnaast kunnen misschien belangrijke variabelen over het hoofd gezien zijn. De schattingsmethode was misschien toch niet de goede en moet er een meer verfijnde (of juist een grovere) methode gebruikt worden. Kortom, er staan nog veel mogelijkheden open om de relatie tussen loonverhoudingen en schaarsteverhoudingen tussen verschillende werknemers te schatten. Het is met de snelle rekenmethoden van tegenwoordig niet zo moeilijk om eens wat alternatieven uit te p