Ik ga economie studeren (1969)

Eind 1969 ging ik aan de Vrije Universiteit (VU) economie studeren. Ik had HBS-A gedaan, tot mijn eigen verdriet, maar als 15 jarige puber had ik niet genoeg mijn best gedaan op school om naar de HBS-B te mogen. Met een HBS-A diploma waren indertijd de studiemogelijkheden beperkt, maar toch was economie voor mij een positieve keuze. Ik wilde iets betekenen voor de wereld en dat kon met economie. Althans, dat dacht ik, want dankzij de wereldberoemde econoom John Maynard Keynes wisten we immers hoe we de economie in een toestand van full employment konden brengen.

De overheid had de instrumenten om bij onderbesteding de bestedingen te stimuleren en bij overbesteding de bestedingen af te remmen. Het zat allemaal in die eenvoudige modelletjes die we al op de middelbare school hadden geleerd. Werkloosheid? Hups, overheidsuitgaven, in alle leerboeken aangeduid met G, omhoog en de werkloosheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Er zou nooit meer een Grote Depressie zijn. Althans, macro-economisch niet, maar bij mijzelf lag het iets anders. Weg uit het ouderlijk huis was al een enorme cultuurschok voor mij, maar de erbarmelijk slechte kwaliteit van het onderwijs aan de VU maakte mij het eerste studiejaar regelrecht depressief. Het onderwijs ging niet over de economische werking van de maatschappij, waar ik over wilde leren. Dat ging, nou ja, dat ging nergens over.

Zo was er een hoogleraar financiering die het week na week had over het hefboomeffect. In het boek dat hij voorschreef stond wel iets meer, geloof ik, maar ik heb het boek nooit ingekeken. Voor het tentamen haalde ik een 7. Verder was er een hoogleraar economische politiek die colleges gaf waar geen touw aan vast te knopen was. Hij had wel een heel interessant boek op de literatuurlijst gezet dat ik van A tot Z bestudeerd had voor het tentamen. Helaas, de hoogleraar stelde alleen maar onbegrijpelijke vragen over het onsamenhangende college dat hij had gegeven. Mijn kennis van het boek werd niet getoetst. Ik wilde weg van deze opleiding, maar waarheen? Moest ik dan mijn idealen opgeven omdat er zulke slechte docenten aan de VU rond liepen eind jaren 60?

Jan Tinbergen was mijn held

Toen kwam ik een boekje tegen van Jan Tinbergen dat simpelweg “Econometrie” heette. Dat boekje, in 1949 geschreven, was een pleidooi om in de economie meer te meten en door middel van “multipele correlatierekening en het aanpassen van curven” verbanden tussen economische variabelen te ontdekken, zoals al vanaf de 19de eeuw “op natuurwetenschappelijke problemen was toegepast”. Tinbergen, gepromoveerd als natuurkundige, verwijst naar de oude discussie over de meetbaarheid van een subjectief begrip als warmte in de natuurkunde. Ondanks die subjectiviteit is een meetlat voor warmte ingevoerd en die “heeft tot een ontzaglijke ontwikkeling van de warmteleer bijgedragen”. Econometrie, dat was mijn redding, zo wist ik direct. Kon ik, ondanks mijn HBS-A toch nog iets van een exacte wetenschap doen (economie als natuurkunde) en ook nog de wereld helpen. Tinbergen was mijn redder, mijn held. Dankzij het boekje van Jan Tinbergen ben ik na een paar jaar overgestapt van de studie economie naar de studie econometrie aan de VU. Het was een van de beste beslissingen in mijn leven. Ik moest, met mijn alfaprofiel, toen ook wiskundecolleges volgen. Het was een verademing. Geen oppervlakkig gepraat meer, maar er werden ‘echte’ stellingen bewezen. Sommige dingen bleken echt waar te zijn. De stelling van L’Hopital, bijvoorbeeld.

Jan Tinbergen als schurk

De hoogleraren aan de economische faculteit van de VU gaven mij nooit het idee dat er iets ‘waar’ was in de economische wetenschap. Nu meer dan 45 jaar later weet ik dat het onderwijs aan de economische faculteit indertijd slecht was mede omdat econometrie bestond en omdat Tinbergen daarvoor verantwoordelijk was. Dat zat zo. Tinbergen was een van de drijvende krachten achter de oprichting van een aparte studierichting econometrie, eerst in de jaren 50 in Rotterdam, maar later ook aan andere universiteiten. Omdat economie en econometrie gescheiden waren, werd er bij de economische faculteiten te weinig econometrie gedoceerd en bij de opleidingen in de econometrie juist weer te weinig economie. Jarenlang zijn er economen opgeleid die niet exact konden denken en econometristen die niet economisch konden denken. De econometrie die Tinbergen propageerde heeft in Nederland nog een ander negatief effect gehad. Dankzij zijn invloed is er tot op de dag van vandaag een overdreven vertrouwen in economische modellen. Zelfs politici durven alleen maar in hun ideeën te vertrouwen als die zijn ‘doorgerekend’ door een economisch model. Dat economisch model moet dan wel gemaakt zijn door het Centraal PlanBureau (CPB) waar ook al weer Jan Tinbergen achter zat. Hij had het in 1945 opgericht, toen Keynes zijn banvloek over modellen al had uitgesproken.

Is de economie echt wel maakbaar door de overheid?

Maar eerst weer terug naar de VU waar ik in 1969 economie ging studeren.  De VU was toen bezig zijn gereformeerde veren af te schudden, maar mijn docenten waren toch niet erg bij de tijd. Zij wisten niet dat er toen al economen waren die aan deze maakbaarheid van de economie twijfelden. Deze economen geloofden niet dat de economie een mechaniekje was waarbij je alleen maar aan een paar knoppen hoeft te draaien om iedereen het juiste te laten doen, dat wil zeggen zoveel uit te geven dat iedereen een baan heeft. En geen cent meer. Deze economen zeiden dat als de overheid meer gaat uitgeven om de economie te stimuleren gezinnen inzien dat die extra uitgaven van de overheid later weer terug betaald moeten worden in de vorm van hogere belastingen. Gezinnen hebben ‘rationele verwachtingen’ over de effecten van hogere overheidsuitgaven. Dus: mensen gaan niet meer uitgeven, maar ze gaan juist meer sparen om die hogere belastingen later te kunnen betalen. Weg positief effect van G op U (werkloosheid). Het effect van overheidsingrijpen blijkt nul te zijn.

Volgens deze economen dan. Een van de meeste bekende was Robert Lucas die voor het idee van de ‘rationele verwachtingen’ een Nobelprijs kreeg. Of het echt waar is wat Lucas dacht, weten we eigenlijk niet. In het Lucas-verhaal heeft overheidsbeleid geen effect, omdat mensen zo slim zijn dat ze zien dat ze later alsnog de rekening van dat beleid gepresenteerd krijgen. Het zou kunnen dat mensen zo slim zijn, maar zelfs veel economen zijn niet slim genoeg om de economie te doorgronden. Hoe moet het dan met niet-economen? Of zijn die juist slimmer dan economen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.