Joris Tieleman begrijpt de economische wetenschap (nog) niet

Meer dan vier jaar geleden had Joris Tieleman samen met Lorenzo Fränkel in het tv-programma Buitenhof een discussie met Pieter Gautier, hoogleraar arbeidseconomie in Amsterdam, over de stand van zaken in de economische wetenschap. Tieleman verweet Gautier dat hij ten onrechte het bestaan van “de blinde vlekken van de economische wetenschap die slechts oog heeft voor het rationele wiskundige model en een perfect werkende markt die keer op keer tot crises leiden” ontkent (zie deze samenvatting). Tieleman was toen nog student in de economie. Inmiddels bereidt hij een proefschrift in de economie voor. Hij moet nog veel leren, zoals blijkt uit een lang opiniestuk van hem in De Volkskrant.

Thomas Piketty, een neoklassiek econoom

Bron: commons. wikimedia.org foto door Sue Gardner

Neem bovenstaande quote; deze wemelt van de misvattingen. Laten we er één uitlichten: de economische wetenschap zou ook zonder wiskundige modellen moeten kunnen. Kijk naar Thomas Piketty, die in 2014 een dik boek schreef over kapitaal met haast geen formules. Dit boek sloeg in als een bom, vooral door de boodschap. Die boodschap was dat het aandeel van kapitaal in het nationale inkomen vrijwel ongeremd zal gaan toenemen, ten koste van het aandeel van arbeid. Een mooie, bijna marxistische boodschap die dan ook door mensen als Joris Tieleman werd omarmd als bewijs dat het ook anders kan, namelijk stevige economische conclusies trekken zonder wiskundig model. Helaas, geheel onjuist. Piketty is een vertegenwoordiger (tegen wil en dank) van de neoklassieke economie, de stroming die “veel waarde toekent aan de markt en marktwerking in de economie. Deze theorie gaat ervan uit dat mensen rationeel zijn en vooral uit zijn op het eigenbelang. (…) Wij zijn niet tegen die neoklassieke benadering van de economie, maar wel tegen de dominantie daarvan in het economieonderwijs.”

Aldus Rethinking Economics, een groep economiestudenten, met Joris Tieleman als een van de leidende figuren betrokken bij de oprichting. Bij Piketty is het neoklassieke model zo dominant als het maar zijn kan, alleen is dat model vakkundig in zijn boek verborgen. Hij is zelfs zo neoklassiek dat Marxistische economen, die kapitalisten als uitbuiters zien, Piketty kapittelen omdat hij geen oog heeft voor de opvatting van kapitaal als basis voor macht en machtsmisbruik (zie hier ). Zonder zijn neoklassieke uitgangspunten had hij zijn boek zelfs niet kunnen schrijven.

Een zo’n uitgangspunt, bijvoorbeeld, is dat je kapitaal kunt meten, eenvoudigweg door de waarde van niet-menselijke hulpmiddelen die gebruikt worden bij de productie van goederen en diensten (machines, gebouwen, computers, etc.) bij elkaar op te tellen. Die meting is nogal cruciaal in het boek van Piketty, maar volgens een Marxistisch econoom is zo’n meting neoklassieke onzin: de waarde van kapitaal wordt vooral bepaald door manipulatie van de kapitaalbezitters. Zij kunnen, afhankelijk van de situatie, soms de waarde van hun bezit kunstmatig oppompen en soms klapt de waarde uit elkaar (zie dit blog voor meer informatie).

De markt werkt vaak niet goed

Mijn vak (openbare financiën) gaat voor een belangrijk deel over de vraag wanneer en waarom de markt niet goed functioneert. Adam Smith kwam 240 jaar geleden met het idee dat de markt er voor kon zorgen dat de welvaart van een land zo hoog mogelijk wordt. Vraag en aanbod op een markt worden bij elkaar gebracht omdat prijsveranderingen eventuele overschotten (te veel aanbod) of tekorten (te veel vraag) vanzelf weg werken. Beter dan de markt, dat kan niet.

Dat was 240 jaar geleden. Daarna zijn er karrevrachten aan artikelen en boeken geschreven om te laten zien dat de markt niet altijd (goed) werkt. De markt werkt bijvoorbeeld niet goed wanneer vragers en aanbieders verschillende informatie hebben over de kwaliteit van het verhandelde goed. Er zijn meningsverschillen tussen economen wanneer die zogenaamde markt-imperfecties relevant zijn. Milton Friedman (1912-2006, zie foto) was een typisch voorbeeld van een econoom die heilig in de markt geloofde. Maar Joseph Stiglitz is een tegenvoorbeeld. Beluister hier wat hij in 2010 over het marktmechanisme zei. Stiglitz zelf heeft in zijn academische werk fundamentele artikelen geschreven die laten zien wat er gebeurt als de ‘simplistische aannames’ van de vrije-markteconomen niet opgaan. Hij schreef sommige van die artikelen in de jaren 70, ver voor de kredietcrisis.

Met dit gegeven voelt het voor mij vreemd aan om te horen verkondigen dat de neoklassieke economie “veel waarde toekent aan de markt en marktwerking in de economie”. Hebben de heren en dames studenten dan zo’n slecht economie-onderwijs gekregen dat ze middel en doel niet meer van elkaar kunnen scheiden? Je zult toch eerst moeten weten hoe de markt zou moeten werken in het ideale geval van Adam Smith (=middel) voordat je iets kunt zeggen over wat er allemaal fout kan gaan in de markt. Als je weet hoe de markt werkt, dan weet je ook of en hoe die afwijkt van het ideale geval en dan weet je ook wanneer je de markt juist niet moet inschakelen, en wanneer wel (=doel).

Iedere markt is verschillend. De markt voor brood werkt redelijk goed, maar de markt voor zorg is typisch een voorbeeld van een markt waar heel veel zogenaamde marktimperfecties een rol spelen. Eigenlijk is er ook niet één markt, maar is er sprake van meerdere markten tegelijk. In al die markten speelt informatie-asymmetrie een rol, tussen verzekeraar en verzekerde, tussen patiënt en dokter, tussen patiënt en zorginstelling en tussen al deze groepen en de overheid (gemeenten, provincies en het Rijk). Informatie-asymmetrie wil zeggen dat een van de twee kanten van de markt (vraag of aanbod) andere informatie heeft dan de andere kant. Op een vrije markt kan dit tot regelrechte rampen lijden, zoals onverzekerbaarheid voor sommige groepen mensen, vooral relatief arme en ongezonde mensen, zie hier voor meer details.

Beleidsmakers kennen hun markten ook niet altijd

Voor het beleid is kennis van de werking van de zorg- en zorgverzekeringsmarkt een belangrijk gegeven. In Nederland heeft deze kennis tot een sterke regulering van de zorgverzekeringsmarkt geleid. Met dank aan de neoklassieke theorie.

Bron: unsplash.com foto: Jack Finnigan

Er is door beleidsmakers echter wel min of meer ongereguleerde marktwerking ingevoerd in delen van de zorg waar je marktwerking zeker zou moeten weren, namelijk in de zogeheten care-sector. In deze sector gaat het er niet om mensen (=patiënten) te genezen van ziekte, maar om mensen (=cliënten) te helpen hun leven (weer) op de rails te krijgen. Deze zorgvragers zijn namelijk (hopelijk tijdelijk) niet in staat (goede) keuzes te maken, en zijn afhankelijk van anderen om weer doel en richting in hun leven te vinden. Deze mensen zijn interessante ‘objecten’ voor zorgaanbieders die winsten ruiken. Zij bieden ‘hulp’ aan om geld te verdienen en weten hun cliënten afhankelijk van hen te maken. Dat is niet moeilijk, want deze mensen zijn stuurloos: als ze eenmaal gevangen zijn in het web van een kwaadwillende aanbieder, kunnen zij geen kant meer op. De aanbieder heeft dan in feite een monopolie gekregen op de zorg voor de cliënt. Die zorg is dan vaak beroerd, zie: dit blog voor details.

Monopolievorming is een reden voor de overheid om de markt heel strikt te reguleren. Dat gebeurt in de ‘care’-sector niet, waarschijnlijk omdat de beleidsmakers te weinig geleerd hebben de neoklassieke theorie op de juiste wijze toe te passen. Wat lezen we daarover bij Joris Tieleman? Het volgende: “Maar die focus op markten en commerciële bedrijven maakt het wel erg moeilijk om een sector als de zorg te begrijpen, waar slechts een beperkt deel aan echt commerciële partijen wordt overgelaten en de overheid ook veel zelf doet.”

Joris Tieleman begrijpt dus niet dat als je de markten en de marktwerking goed leert kennen (volgens de neoklassieke theorie), je ook beter zult begrijpen wanneer je wel en wanneer je niet in de markt kunt ingrijpen. Dan lijkt het wel wat vreemd dat Tieleman vindt dat er minder aandacht besteed moet worden aan marktwerking in de economie-opleiding. Voor hem zelf had een uitgebreidere bestudering van marktwerking geen kwaad gekund.

De economische theorie begrijpt economische groei niet

Nog een citaat van Tieleman: “Economische groei drijft ons naar de afgrond. Waar is die groei voor nodig, Nederland is toch al rijk genoeg?” Dat is dan niet een quote van Tieleman zelf, maar van een student die hij kennelijk met instemming opvoert. De rol van economische groei in de economische theorie is een voortdurende bron van misvattingen. Het citaat suggereert dat uit de theorie zou volgen dat groei goed en zelfs noodzakelijk is.

Ook hier heeft Tieleman in de klas niet goed opgelet. De economische theorie is namelijk vrijwel niet in staat economische groei te verklaren (zie hier). De neoklassieke theorie kan alleen maar uitleggen waarom economische groei ophoudt, terwijl de zogeheten endogene-groeitheorie een ad-hoc aanname nodig heeft om economische groei te verklaren. Die ad-hoc aanname is dat als er maar voldoende ideeën zijn voor nieuwe producten economische groei op gang blijft (het invoeren van deze aanname in de theorie was genoeg voor een Nobelprijs in de economie). Die groei kan dan zelfs duurzaam zijn als de overheid op de juiste wijze ingrijpt.

Voor zover ik weet is deze zogenaamde endogene-groeitheorie empirisch niet te bewijzen. De beleidsaanbevelingen die er uit volgen, zijn ook erg dun: de overheid moet er voor zorgen dat nieuwe ideeën voldoende ruimte krijgen. Dat leidt dan meestal tot de dooddoener dat er meer in onderwijs geïnvesteerd moet worden, maar hoeveel en in welke richting is onduidelijk.

Bovendien, is het wel zo dat nieuwe ideeën altijd tot meer groei leiden? Er zijn ook economen die gevonden hebben dat het toepassen van nieuwe ideeën ook tot een doodlopende straat kan leiden. In het jargon van de econoom: er kan sprake zijn van afnemende meeropbrengsten van nieuwe ideeën. Dan zijn we weer terug bij af en weten we dus nog steeds niet waarom economieën kunnen groeien.

Kortom, de economische theorie heeft verbazend weinig te melden over economische groei: het ontstaan ervan kan niet verklaard worden en of groei nu goed of slecht is voor de welvaart, daar weet de theorie zo mogelijk nog minder van. Tieleman en zijn Rethinking Economics lijdt hier dus aan een overschatting van wat de theorie te zeggen heeft.

Met de (neoklassieke) economie kun je niet voorspellen

Dit probeerde de grote econoom John Maynard Keynes 75 jaar geleden al onze eigen Jan Tinbergen (1903-1994; vader van het CPB; Nobelprijs voor de economie in 1969) duidelijk te maken (tevergeefs, zie hier).

Geen enkele economische stroming genereert overigens betrouwbare voorspellingen. Waarom dat zo is, volgt eigenlijk vrij eenvoudig uit een vergelijking van de beweging van de economie met de beweging van de hemellichamen. Neem bijvoorbeeld een verschijnsel als de zonsverduistering. Er wordt voorspeld dat er in juli 2168 een totale zonsverduistering zal zijn gedurende 7 minuten en 29 seconden. Dat zal met een grote mate van nauwkeurigheid ook uitkomen, omdat de bewegingen van de hemellichamen goed voorspeld kunnen worden.

Voorspelt het nationaal inkomen
Bron: Chase Clark on Unsplash

Kijk nu eens naar de toekomst van de AOW. Het CPB voorspelt met enige regelmaat dat de AOW over, zeg 30 jaar, niet meer gefinancierd kan worden. Om deze voorspelling te kunnen doen, heb je minstens ook voorspellingen nodig van, achtereenvolgens, de stijging van het nationaal inkomen, de stijging van de AOW-uitkering en de samenstelling van de bevolking. Hoe de bevolking er over 30 jaar uit zal zien, kun je nog wel met enige mate van zekerheid voorspellen, hoewel de eerste de beste vluchtelingencrisis die voorspelling al onderuit kan halen. Voor de stijging van het nationaal inkomen is echter tovenarijkunst vereist. Het is al moeilijk het nationaal inkomen voor volgend jaar te voorspellen, laat staan voor over 30 jaar. De AOW-uitkering, tenslotte, is per definitie niet te voorspellen omdat die door beleidsmakers bepaald wordt. Als het CPB dan ook voorspelt dat de AOW niet meer betaalbaar zal zijn, is dat direct een uitnodiging aan de beleidsmakers om in te grijpen in de AOW.

Economische voorspellingen zijn daarom nooit neutraal, maar altijd politiek. Dat heeft verder weinig met stromingen in de economische theorie te maken. Desondanks is er in Nederland een groot vertrouwen in economische voorspellingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gezag dat het CPB heeft. Dat gaat zelfs zo ver dat politieke partijen aan het CPB vragen hun politieke programma’s ‘door te rekenen’. Het CPB berekent met behulp van een model wat de effecten van de beleidsvoorstellen zijn op de werkgelegenheid, de overheidsfinanciën, de inflatie, enzovoorts. Deze doorrekeningen hebben grote invloed op verkiezingscampagnes en misschien zelfs wel op de verkiezingsuitslag, maar het is onmogelijk om de voorspelde effecten van de beleidsvoorstellen later te vergelijken met de feitelijke effecten, zie hier.

Handhaaf de neoklassieke economie in het onderwijs

De (neoklassieke) economie is niets meer dan een stelsel van logische redeneringen, die kan worden toegepast op een groot aantal economische vraagstukken. Er is veel training voor nodig om, ten eerste, de techniek van de analyse te beheersen en, ten tweede, om de intuïtie achter de bereikte resultaten te doorgronden. Daarom moeten we de prominente positie van de neoklassieke economie in het academisch economisch onderwijs handhaven.

Andere benaderingen dan de neoklassieke zijn daarmee niet verboden. Voor zover ze in een half uur zijn samen te vatten (aldus Gautier) hoef je daar ook niet veel tijd voor in te ruimen. In tegenstelling overigens tot wat Rethinking Economics beweert, is er al een duidelijke alternatieve stroming in opkomst, namelijk de gedragseconomie. Die gaat echter ook uit van de neoklassieke theorie en gaat dan (vaak empirisch) na waar het individueel of collectief gedrag afwijkt van de neoklassieke aannames.

Andere ‘scholen’ die Tieleman graag op het economieprogramma wil hebben, baseren zich ook op de neoklassieke economie. De Oostenrijkse school, waar Tieleman ook zo graag meer van wil weten, is zelfs puur neoklassiek, maar dan zonder wiskunde en in een conservatief jasje. Als er een school is die alleen maar oog heeft voor “(…) een perfect werkende markt”, dan is het zeker de Oostenrijkse school. Dat is Tieleman kennelijk ontgaan, anders had hij deze school zeker niet op het economieprogramma willen hebben.

Jeugdzorg/Intrakoop wil decentralisatie om de omzet, maar centralisatie om de kosten

Twee opvallende berichten in De Volkskrant onlangs over de jeugdzorg. Eerst was daar het bericht dat de rechter gemeenten in de Haagse regio de gemeenten had bevolen jeugdzorginstellingen een “kostendekkend tarief aan te bieden”. De gemeenten waren door de instellingen zelf voor de rechter gedaagd.

Het tweede bericht ging over een onderzoek van Intrakoop, de inkooporganisatie van veel zorginstellingen. Daaruit bleek dat een kwart van de jeugdzorginstellingen verliezen lijdt. De oorzaken daarvan zouden zijn hoge administratieve lasten, samenhangend met de decentralisatie van de jeugdzorg, de stijgende personeelskosten en niet kostendekkende tarieven die instellingen met gemeenten hebben afgesproken.

De gemeente als monsters

Het gemeentemonster
Bron: unsplash.com

Het is duidelijk: de gemeenten zijn hier de monsters. Dat blijkt ook uit het voorwoord van het onderzoekverslag van Intrakoop: “De decentralisatie van de jeugdzorg is gepaard gegaan met een reflex van gemeenten: nu we verantwoordelijk zijn, gaan we ook ons eigen beleid maken.” Hoewel Intrakoop dat begrijpelijk vindt, “leidt dat tot veel kosten en diversiteit die niet per se bijdraagt aan betere zorg.”

Op de NOS-site maakte Intrakoop een vergelijking met een situatie waarbij de NS per gemeente zou zijn georganiseerd. “Vergelijk het met een trein die van Amsterdam naar Den Bosch rijdt (…) [waarbij] de trein in iedere tussenliggende gemeente stopt en (…) er dan steeds een andere conducteur instapt die jou om een ander kaartje vraagt. Dat zouden we heel absurd vinden. Maar in de jeugdzorg werken instellingen soms in wel vijftig gemeenten, elk met een andere administratieve afwikkeling.” De gemeenten moeten ophouden alle voor zich het wiel uit te vinden, is de boodschap. Er moet weer een “nationaal kader” voor de uitvoering van de jeugdzorg komen.

Decentralisatie leidt niet tot minder zorg

Bron: foksuk.nl (overgenomen ogv FAQ, nr. 26)

We herinneren ons het doel van de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeenten. Kinderen zouden zo licht mogelijke hulp moeten krijgen (Fokke en Sukke dachten dat ook). Nu, vier jaar later zijn de uitgaven aan jeugdzorg hoger dan ooit en blijken zowel het aantal cliënten als de uitgaven per cliënt te zijn toegenomen (zie, Kamerbrief, 14 mei 2019). Decentralisatie lijkt dus niet tot minder, maar tot meer medicalisering te hebben geleid.

De redenen daarvoor zijn eenvoudig op te sommen (zie hier voor een uitgebreide uitleg). Op de eerste plaats heeft het parlement ook aan artsen de bevoegdheid gegeven om, buiten de gemeenten om, jeugdigen door te verwijzen naar (duurdere) hulp. Artsen betalen die behandeling niet zelf uit een beperkt budget. De kosten betalen de gemeenten. Op de tweede plaats is het een wellicht triviaal feit dat hoe dichter de hulpverlener bij de hulpvrager staat, des te meer compassie de hulpverlener zal hebben met de hulpvrager en des te meer hulp hij/zij zal geven. Bij gedecentraliseerde hulp staan de hulpverleners, eventueel via wijkteams, dichter bij de burgers dan bij min of meer anonieme gecentraliseerde hulpverleningsinstanties.

Decentralisatie leidt wel tot hogere kosten

Decentralisatie leidt dus tot meer hulpverlening in plaats van tot minder zoals het parlement hoopte. Decentralisatie betekent ook dat gemeenten de vrijheid krijgen om de zorg uit te voeren op hun eigen manier. Ze verzinnen hun eigen procedures, hun eigen manier van vergoeding van geleverde zorg, ze bedenken ook zelf de tarieven die ze willen rekenen voor de zorg. Het gevolg is dat zorginstellingen die voor meerdere gemeenten zorg leveren, te maken krijgen met verschillende manieren van vergoeden, verschillende manier van factureren, controleren, enz.

Het is, zo legde Intrakoop uit (zie boven) alsof bij iedere tussenstop van de trein een andere conducteur instapt. Uiteraard is dat geen eerlijke vergelijking, omdat er stilzwijgend van wordt uitgegaan dat een centraal georganiseerde treinstelsel beter werkt. Het tegenvoorbeeld zou ongeveer als volgt klinken: “Stel dat de NS als centraal geleide organisatie zo slecht zou werken dat geen enkele trein die van Amsterdam naar Den Bosch rijdt in tussenliggende gemeenten stopt. Dan zouden we het niet zo’n slecht idee vinden om de NS dan maar regionaal te organiseren zodat er meer gemeenten bediend kunnen worden.”

Een decentraal georganiseerd aanbod van treinen kan dus tot een betere dienstverlening leiden, maar geeft wel hogere kosten. Dat kan geen verrassing zijn. Eén organisatie hoeft maar één uitvoerend apparaat te hebben, terwijl bij lokale uitvoering iedere lokale organisatie zijn eigen procedures moet bedenken. Maar dat is nu eenmaal de afruil bij decentralisatie: de kwaliteit van de dienstverlening is beter (denk aan de gemeenten waar de treinen nu wel stoppen), maar de kosten van de uitvoering zijn hoger.

Decentralisatie van de jeugdzorg is halfslachtig

Als gemeenten bij decentralisatie van de jeugdzorg niet hun eigen werkwijze mogen bedenken, is decentraliseren niet erg zinvol. Als de rijksoverheid een vinger in de pap wil blijven houden bij de uitvoering, kan ze net zo goed zelf verantwoordelijk blijven voor de jeugdzorg.

Het Rijk heeft zelfs een hele dikker vinger in de pap. Zo had het Rijk eerder al besloten marktwerking in de zorg toe te laten: zorginstellingen mogen winst maken en die winst mogen ze uitkeren aan de eigenaren. In een sector waar de kwaliteit moeilijk waar te nemen en dus ook moeilijk te controleren is, gaf dat alle ruimte aan ‘zorgcowboys’ om de ‘zorgmarkt’ op te komen en op een makkelijke en snelle manier rijk te worden, ten koste van gemeenten. Die zorgcowboys zijn er gekomen en halen miljoenen aan belastinggeld uit de zorgsector weg voor hun eigen gewin.

In een ‘echte’ markt worden tarieven bepaald door vraag en aanbod. Als er veel vraag is naar een product, bijvoorbeeld koophuizen, zal de prijs gaan toenemen om te zorgen voor evenwicht op de markt. Bij een ‘overspannen’ markt voor koopwoningen, zoals op dit moment in Utrecht en Amsterdam, gaat de vraagprijs voor koopwoningen omhoog. Omgekeerd, als er weinig vraag is naar een product, bijvoorbeeld brood, gaat de prijs van brood omlaag. Dalende prijzen zijn een onvermijdelijk gevolg van afnemende vraag op een markt. Sommige producenten, in dit geval dus bakkers, zullen in het ergste geval hun netto opbrengsten zo zien dalen dat ze het niet meer kunnen bolwerken. Zij gaan failliet.

Winsten horen bij marktwerking, maar verliezen en faillissementen ook. Bedrijven concurreren immers om de gunsten van de consumenten en sommige bedrijven slagen er wellicht niet voldoende in om consumenten voor zijn producten te interesseren. Dat hoeft niet eens een negatief bijeffect van marktwerking te zijn. Faillissementen kunnen ook beschouwd worden als een opruimoperatie: inefficiënte bedrijven of bedrijven die te weinig kwaliteit leveren verlaten de markt en de overblijvers behoren tot de best renderende bedrijven die producten van goede kwaliteit leveren. De markt knapt er dus van op als zo nu en dan bedrijven het hoofd niet meer boven water kunnen houden.

In een commerciële markt zal de eigenaar van een bedrijf waarvoor een faillissement dreigt, het niet in zijn hoofd halen naar de rechter te lopen om een hogere prijs te eisen, omdat hij niet meer uit de kosten kan komen. Een dergelijk verzoek kan rekenen op hoongelach. In de zorgmarkt is dat echter heel anders, zoals de tien gemeenten in de Haagse regio mochten ervaren. Jeugdzorginstellingen waren naar de rechter gestapt om hogere tarieven van deze gemeenten te eisen. Zij kregen gelijk van de rechter. Ongeacht de specifieke argumenten van de rechter, blijft het een vreemd figuur dat een rechter zich in een ‘markt’ uit kan spreken over de tarieven die gemeenten moeten bieden voor te leveren zorg.

Intrakoop wil het beste van twee werelden

De decentralisatie van de jeugdzorg is dus al eigenlijk half werk, maar nu wil Intrakoop de hele decentralisatie  overboord zetten, want er moet een “nationaal kader” komen. Oftewel, alles moet weer centraal geregeld worden. Of niet? Nee toch niet, want zo schrijft Intrakoop in het voorwoord van het rapport, dankzij de decentralisatie is het aantal cliënten met 5,4% gegroeid. Dat komt, zegt Intrakoop met mooie woorden, omdat dankzij de decentralisatie de “zorg toegankelijker en laagdrempeliger” is geworden.

Daar wil Intrakoop natuurlijk niet van af, wegens de hogere omzet voor de zorginstellingen. Dus inderdaad, omdat centralisatie door de uniformiteit tot lagere kosten voor de zorginstellingen leidt, wil Intrakoop centralisatie, maar omdat decentralisatie tot een hoger aantal cliënten leidt, wil Intrakoop centralisatie. Dat is het beste van twee werelden willen, terwijl je maar in één wereld tegelijk kan zijn.

Korten van pensioenuitkeringen: onwenselijk en onnodig

Bovenop de AOW, zie de vorige blog, krijgen veel Nederlanders een uitkering van hun aanvullende pensioen. Aanvullende pensioenen worden bijna altijd door de werkgever georganiseerd en werknemers zijn verplicht zich hierbij aan te sluiten. Ook dit deel van het Nederlandse pensioenstelsel staat onder vuur.  De president van de Nederlandsche Bank, Klaas Knot, heeft verklaard dat de pensioenuitkeringen gekort moeten worden. Anders, zo beweert hij , zullen de jongeren in de toekomst een (nog??)  lager pensioen krijgen. Bij de aanvullende pensioenen sparen deelnemers voor hun eigen toekomstige pensioen. Hoe kan het dan dat jongeren bij moeten dragen aan de pensioenen van de ouderen? Laten we dat eerst uit de doeken doen.

Hoe de aanvullende pensioenen werken: aannames

Laten we een heel simpel voorbeeld nemen om de essentiële eigenschappen van de aanvullende pensioenen te beschrijven. Stel dat de deelnemers twee perioden leven. In de eerste periode werken ze en hebben ze een inkomen van 100 en wordt ze een pensioen van 44 ‘beloofd’ die in de tweede periode zal worden uitgekeerd, wanneer ze niet meer werken. Er is geen inflatie en ook geen loonstijging. Dat zijn factoren die voor dit probleem niet zo relevant zijn. Dus iedere nieuwe generatie van pensioendeelnemers verdient weer 100 en krijgt een pensioen van 44 toegekend. Laten we dan tenslotte aannemen dat er iedere periode maar één deelnemer is. Dus, iedere periode is er één werkende en één gepensioneerde. Dat wordt alleen maar verondersteld om het rekenen te vergemakkelijken, maar als de lezer er niet blij mee is, mag hij alle getallen vermenigvuldigen met het aantal deelnemers dat hij/zij wenst aan te nemen.

De deelnemer bouwt een pensioen op en betaalt daarvoor in de eerste periode een premie uit haar inkomen van 100. Die premie wordt door haar pensioenfonds belegd en met die premie inclusief het rendement wordt het pensioen van de deelnemer gefinancierd. De beleggers bij het pensioenfonds weten – uit jarenlange ervaring – dat gemiddeld het rendement op belegde premies 10% bedraagt. Je kunt dan eenvoudig uitrekenen dat de premie 40 moet zijn om het toegekende pensioen te kunnen financieren (reken maar na, de pensioenuitkering wordt dan 40 plus 10% van 40 is 40+4=44).

Merk hierbij een belangrijke eigenschap van dit (en ook direct het Nederlandse) pensioenstelsel op: er wordt een gegarandeerd pensioen toegekend (hier 44), maar of de opbrengst op de beleggingen tot dit pensioen leidt, is onzeker. Het probleem is namelijk dat het rendement fluctueert. Soms weten pensioenfondsen een hoog rendement te boeken en soms hebben ze pech en is het rendement laag.

Hoe de aanvullende pensioenen werken: een rekenvoorbeeld

Kijk nu eens naar tabel 1 hieronder. Daar wordt het verloop van het rendement en het vermogen weergegeven over 9 opeenvolgende perioden. Het gemiddelde rendement blijkt inderdaad 10% te zijn, maar het rendement fluctueert van 5% tot 15%.

In periode 0 zijn de premies van de werkende deelnemer (40) belegd door het pensioenfonds. Het pensioenfonds maakt een rendement van 15%. Er waren geen andere reserves uit voorgaande perioden beschikbaar. Het vermogen aan het begin van periode 1 bestaat dan ook alleen uit de in periode 0 ingelegde premies (40) plus het rendement over die premies dat in de voorgaande periode is behaald (15% over 40 geeft 6). Het totale vermogen aan het begin van periode 1 (40+6=46), is beschikbaar voor de financiering van de pensioenaanspraak van de deelnemer die in periode 0 werkte en in periode 1 gepensioneerd.

Overschotten en tekorten verdwijnen vanzelf

Omdat de pensioenaanspraak 44 is en het vermogen is 46, blijft er dus in periode 1 een reserve over van 2. Deze reserve wordt door het pensioenfonds samen met de in periode 1 opgebrachte premies van 40 belegd tegen een rendement van 15%, zodat aan het begin van periode 2 door het hoge rendement in periode 1 het vermogen verder is toegenomen naar 48,3. Er is dus opnieuw genoeg vermogen om de pensioenaanspraak van de deelnemer (44) te financieren.

In periode 2 is het rendement echter gedaald naar 5%, zodat aan het begin van periode 3 het vermogen nog maar gelijk is aan 46,5. Dit is nog steeds genoeg om het pensioen van 44 in periode 3 te financieren. Omdat in periode 3 het rendement echter ook maar 5%, daalt het vermogen in periode 4 verder naar 44,6, nog net genoeg om de pensioenaanspraak van de gepensioneerde  deelnemer in periode 4 te financieren.

In periode 4 en 5 is het rendement echter nog steeds lager dan 10%. Het vermogen blijft daardoor dalen en nu tot onder de 44 in periode 5 en 6. Het pensioen kan daardoor alleen maar gefinancierd worden door een deel van de premie van de werkende deelnemer daarvoor te gebruiken. Uit tabel 1 zien we dat een steeds groter deel van de premie van de werkende gebruikt moet worden om het pensioen van de gepensioneerde te financieren.

Vanaf periode 6 is het rendement op de premies minstens gelijk aan het verwachte rendement. Het vermogen daalt daardoor niet langer en het tekort neemt af, totdat in periode 9 weer een (klein) overschot ontstaat.

Wanneer het niet erg is als het fonds een tekort (overschot) heeft

Wat we kunnen concluderen uit de berekeningen van de bovenstaande tabel 1 is dat als het rendement niet altijd gelijk is aan het verwachte rendement van 10% er tekorten of overschotten kunnen ontstaan. Zolang het ‘echte’ gemiddelde rendement maar gelijk is aan het gemiddelde rendement dat werd verwacht (hier dus 10%), zullen tekorten of overschotten in de loop der tijd vanzelf weer verdwijnen.

Wat we dus ook kunnen concluderen is dat de premie van de jongere deelnemer soms gebruikt moet worden om het pensioen van de oudere deelnemer te financieren. Het aanvullende pensioenstelsel lijkt dan opeens gebruik te moeten maken van het omslagstelsel dat gebruikt wordt bij de AOW. Dat dit nodig is, komt omdat het pensioeninkomen gegarandeerd is (hier 44), maar het rendement op de premie niet.

Luister in dit verband eens wat Marike Knoef, hoogleraar en lid van de zogeheten commissie Dijsselbloem, zegt in het televisieprogramma Hollandse Zaken.

Zij zegt inderdaad dat de premies van jongeren gebruikt moeten worden om de uitkeringen te financieren. De twitteraars die daarop reageren, blijken dit niet te begrijpen: “Hoogleraar Economie en het verschil niet weten tussen AOW en pensioen….” en: “De pensioenpotten zijn gevuld door onszelf. Klopt van geen kanten” en: “Dit is helemaal NIET waar. Pensioen is GEEN omslagstesel. Pensioen wordt NIET betaald met premies van jongeren. Voor pensioen heb jezelf gespaard (…)”. Het is dus WEL waar. Soms lijkt het stelsel van aanvullende pensioenen op een omslagstelsel.

Wat we echter ook kunnen zien is dat dit tekort niet noodzakelijk een probleem is. Hoewel het tekort langere tijd kan blijven bestaan en toenemen, zal na verloop van tijd het tekort vanzelf weer afnemen. Dat geldt evenzeer voor overschotten. Overschotten ontstaan door een hoger dan gemiddeld rendement, zoals in de eerste perioden van bovenstaande tabel 1. Het is echter onvermijdelijk dat hoge rendementen weer zullen verdwijnen. De overschotten verdwijnen dan ook op den duur om wellicht weer plaats te maken voor tijdelijke tekorten.

Een tekort (overschot) is voer voor beleidsmakers

Voor politici en beleidsmakers zijn echter zowel tekorten als overschotten in pensioenfondsen moeilijk te accepteren. De situatie van de Nederlandse pensioenfondsen in jaren 1980 en 1990 komt sterk overeen met de eerste twee perioden van tabel 1. De fondsen beschikten toen over relatief hoge vermogens, zeer tot ongenoegen van de politici. De toenmalige minister van financiën Onno Ruding dreigde toen een vermogensoverschotheffing op pensioenfondsen in te voeren.

De pensioenfondsen konden alleen maar aan de nieuwe heffing ontkomen door de premies van de deelnemers te verlagen. Als we verlaging van de premies in tabel 1 in de eerste perioden hadden ingevoerd om een ‘vermogensoverschot’ te vermijden, was het onvermijdelijke gevolg geweest dat in latere perioden de tekorten navenant groter en wellicht onhoudbaar waren geworden. De pensioenen hadden dan niet meer door premies van werkenden gefinancierd kunnen worden. Het zou dan onvermijdelijk worden de pensioengarantie niet na te komen en/of de premie te verhogen

Bron: mirjamvissers.nl
(met toestemming overgenomen)

De huidige situatie komt nog het meest overeen met wat er in tabel 1 vanaf periode 5 gebeurt. Hoewel de Nederlandse pensioenfondsen de uitkeringen niet uit de premies hoeven te financieren – en in tabel 1 wel – zien sommige bestuurders wel tekorten opdoemen in de al dan niet verre toekomst. De president van DNB, Klaas Knot, wil daarom de pensioengarantie afschaffen, niet alleen van de huidige gepensioneerden, maar ook van de toekomstige gepensioneerden. Waarom, heeft hij een ander soort berekening in zijn hoofd dan de bovenstaande tabel 1? Laten we er eens naar kijken.

Wanneer het wel erg is als het fonds een tekort (overschot) heeft

Keren we weer eens terug naar wat Marike Knoef in het aangehaalde fragment beweert. De premies kunnen niet verhoogd worden door de vergrijzing, zo beweert ze. Door de vergrijzing zijn er minder werkende deelnemers dan vroeger, bij eenzelfde hoeveelheid gepensioneerden. Daardoor zal een gegeven bedrag waarmee de premies verhoogd moeten worden om de pensioenen te kunnen uitbetalen over minder deelnemers verspreid kunnen worden en de premieverhoging ‘te kostbaar’ zijn. Het enige alternatief is dan, volgens Marike Knoef, de uitkering te verlagen.

Er zijn twee vragen hierbij te stellen. Ten eerste, met hoeveel moet de premie verhoogd worden en waarom zou dat te kostbaar zijn? Maar, ten tweede en belangrijker, waarom zouden überhaupt de premies verhoogd en/of de uitkeringen verlaagd moeten worden? Dat zou alleen noodzakelijk zijn als het rendement dat het pensioenfonds gebruikt om de premie te berekenen te hoog is.

Neem bijvoorbeeld aan dat het pensioenfonds opnieuw aanneemt dat het gemiddelde rendement gelijk is aan 10%. De premie wordt dus op 40 gezet bij een pensioengarantie van 44. Na verloop van tijd blijkt het rendement niet gemiddeld 10%, maar 5% te zijn. In onderstaande tabel 2 worden de consequenties voor het vermogen en het tekort uitgerekend van deze onderschatting van het feitelijke rendement.

Uit tabel 2 blijkt dat als het pensioenfonds te optimistisch is over het rendement, het fonds regelrecht op faillissement afrent. In periode 9 kan minder dan de helft van de pensioenen uit het vermogen worden gefinancierd. Het is onverantwoord af te wachten tot de pensioenuitkeringen niet meer gefinancierd kunnen worden, want op dat moment is het pensioenstelsel failliet. De premie en/of de uitkering zullen tijdig op het lagere rendement afgestemd moeten worden.

Zijn de pensioenfondsen te optimistisch?

Als we ons voorbeeld vertalen naar de Nederlandse situatie, is dus de logische vraag: zijn de pensioenfondsen te optimistisch, oftewel schatten zij het rendement op hun belegd vermogen te hoog in? Nog anders geformuleerd: zijn pensioenfondsen zo riskant aan het beleggen dat de pensioenen van toekomstige deelnemers op het spel staat als er niets verandert?

Het antwoord op deze prangende vragen is niet zo makkelijk te geven, omdat het gemiddelde rendement niet een rendement is dat je kunt meten. Dit rendement is namelijk het rendement dat de pensioenfondsen in de toekomst gemiddeld zullen maken. Maar de toekomst is ongewis, de toekomstige rendementen zijn onbekend. Bovendien is wat in het verleden is gebeurd geen garantie voor de toekomst. Dus, als tabel 1 zou voorstellen wat er in de afgelopen perioden is gebeurd, wil dat nog niet zeggen dat in de toekomst hetzelfde zal gebeuren. Het feitelijk gemiddeld rendement kan lager zijn dan 10%. We zagen in tabel 2 dat als we zo kortzichtig zijn met een rendement van 10% te rekenen, terwijl het feitelijk gemiddeld rendement 5% is, het pensioenstelsel op een faillissement afstevent.

Maar andersom is evenmin onwenselijk. Als er gerekend zou worden met een gemiddeld rendement van 5%, terwijl het feitelijk gemiddeld rendement 10% is, ontploft het vermogen van het pensioenfonds (de lezer mag dat zelf uitrekenen). Dat is slecht voor de economie omdat geld dat besteed had kunnen worden uit de economie wordt gehaald. Dat leidt dan juist tot het effect dat Knoef en Knot willen vermijden. Door het grote aanbod van geld – door pensioenfondsen – zal het rendement op het beleggen van dat geld gaan dalen: een klassieke zichzelf waarmakende voorspelling.

Laat het pensioenvermogen niet exploderen

Wat op dit moment in Nederland gebeurt met de pensioenvermogens, lijkt meer op het tweede scenario (exploderend pensioenvermogen) dan op het eerste scenario (instortend pensioenvermogen). Zoals een veertigtal Nederlanders (waaronder schrijver dezes) onlangs in de media per ‘brandbrief’ uitlegden, is het pensioenvermogen langzaam (maar zeker) aan het exploderen. Om een idee te geven van de omvang van dat vermogen, neem eens aan dat er vanaf vandaag geen pensioenpremies meer zouden worden geïnd. Er is dan nog zoveel geld beschikbaar dat de pensioenuitkeringen minstens 50 jaar gegarandeerd kunnen worden! Van een vermogenstekort kunnen we dus niet spreken. Dat komt omdat de feitelijke rendementen van de pensioenfondsen veel hoger zijn dan wat Knoef en Knot gemiddeld verwachten. In de context van onze berekeningen: Knoef en Knot verwachten een gemiddeld rendement van 5%, terwijl het feitelijk huidig rendement 10% is.

Als we (bijna) zeker weten dat het rendement gemiddeld niet lager zal zijn dan 5% en niet hoger dan 10%, dan kunnen we toch als compromis het gemiddelde van 5 en 10% nemen, namelijk 7½%? Dat is wat de ruim 40 Nederlanders in hun brandbrief min of meer voorstelden. We zitten nu boven dit gemiddelde, er is dus geen reden om aan te nemen dat dit compromis tot een spoedige ineenstorting van het pensioenstelsel zou kunnen leiden.

Het alternatief is op de pensioenuitkeringen te korten want premieverhogingen kunnen niet meer (Knoef). Volgens Knot zijn die kortingen noodzakelijk omdat anders huidige jongeren in de toekomst met kortingen op hun pensioeninkomen geconfronteerd gaan worden. Dat is dus nog maar zeer de vraag. Dat geldt alleen als het huidige feitelijke rendement dat de pensioenfondsen met hun beleggingen halen, opeens drastisch zou gaan dalen. Daar ziet het nog niet naar uit, al is dat uiteraard altijd mogelijk. Daarom is het compromis, om onder het feitelijke huidige rendement, maar ook boven het worst-case scenario van het laagts mogelijke rendement te gaan zitten, een goed idee. Mocht de zwarte zwaan van een algehele ineenstorting van de financiële markten weer eens voorbij komen, dan is er voorlopig een buffer om zonder dramatische maatregelen de financiële storm te doorstaan.

Conclusie: korten van pensioenuitkeringen is onwenselijk en onnodig

Het korten van pensioenuitkeringen en het laten oplopen van de pensioenvermogens leidt tot ongewenste economische uitkomsten. Door de oplopende pensioenvermogens wordt onnodig geld uit de economie gehaald. Bestedingen worden daardoor kunstmatig laag gehouden, een deflatoire situatie ontstaat en het rendement op beleggingen gaat dalen. Een situatie die Knoef en Knot juist willen voorkomen!

Het korten van pensioenuitkeringen is ook onnodig, omdat er geen enkel zicht is op toekomstige tekorten in de pensioenfondsen. Die zouden alleen kunnen ontstaan als de rendementen op de beleggingen van de ene dag op de andere in elkaar zouden storten en dan decennia lang zo laag blijven als Knot nu veronderstelt. Dan nog kunnen de pensioenen minstens honderd jaar gefinancierd worden. Het is echter zeer onaannemelijk dat pensioenfondsen honderd jaar lang vrijwel geen rendement op hun beleggingen kunnen maken. Dan moet zich op de planeet een ramp hebben voorgedaan van megaproporties. Maar dan is een pensioenstelsel so-wie-so onnodig.

De arme ouderen zijn de dupe van de vergrijzing

Betalen de huidige niet gepensioneerden, deel uitmakend van de beroepsbevolking (laten we ze kortweg ‘jongeren’ noemen) een veel hogere ‘premie’ dan de jongeren van veertig jaar geleden, zoals vaak beweerd wordt (zie dit handige overzicht van de NOS)? De AOW-uitkeringen worden uit belastingen gefinancierd die deels (maar niet alleen) door jongeren worden opgebracht. Dus, als er (door vergrijzing) relatief meer ouderen zijn, zullen de jongeren hogere belastingen moeten betalen voor de AOW. Het aantal mensen met een AOW-uitkering is nu meer dan drie keer zo hoog als vijftig jaar geleden, terwijl het aantal jongeren in vijftig jaar met minder dan dertig percent is gestegen. Toch zijn de kosten van de AOW nauwelijks hoger dan vijftig jaar geleden. Hoe kan dat?

Hoe de AOW werkt

De huidige AOW-ers hebben zelf, toen ze nog werkten, ook aan de AOW bijgedragen. Je kunt de belastingen (of premies) die ze toen betaalden voor de toenmalige AOW-ers als premies beschouwen voor hun eigen AOW. De hoogte van de premie hangt echter niet af van de AOW die deze generatie zelf gaat ontvangen. Het aantal AOW-ers en de hoogte van de AOW-uitkering tijdens de werkende periode van iedere generatie bepaalt de premie. Je kunt dus niet zomaar zeggen dat de huidige werkenden ‘voor niets’ de huidige AOW-ers onderhouden, want er is een soort wederzijdse overdracht, alleen is die wederzijdsheid indirect.

De AOW wordt in stand gehouden door zich voortdurend herhalende, indirect wederkerige transacties tussen oude en jonge generaties. De jongere (werkende) generatie geeft aan de oude (niet meer werkende) generatie. De oude generatie geeft niets terug aan die jongere generatie, maar heeft zelf wel als jongere generatie gegeven aan de toen oude generatie. Zo geeft iedere jonge generatie aan de oude generatie in de hoop dat de toekomstige jonge generatie aan hen zal geven als ze zelf oud zijn.

Tegenstanders van de AOW verge-lijken deze regeling wel eens met de grootscheepse fraude die Charles Ponzi (zie foto) in 1920 in de VS met beleggingen pleegde. Hij beloofde investeerders in zijn fonds een hoog rendement. Hij zei er niet bij dat hij dat rendement probeerde te financieren met de inleg van nieuwe inves-teerders. In feite werkt de AOW ook als een Ponzi-systeem. Er is echter nog geen overheid voor fraude met de AOW aangeklaagd. Hoe komen deze AOW-‘transacties’ tot stand en waarom kunnen die transacties generaties lang doorgaan?

Verklaring 1 voor de AOW: politieke macht van ouderen

Het is vooral verbazend dat de AOW bestaat, omdat het – in normale tijden – voor de meeste mensen voordeliger is zelf te sparen dan om aan de AOW mee te doen. Stel dat je de belasting die je voor de AOW moet betalen in een beleggingsfonds zou stoppen en neem aan dat er niets abnormaals gebeurt, zoals een grote recessie of een wereldoorlog. Dan kun je met deze belegging een hoger pensioenbedrag opbouwen dan de AOW-uitkering (een simpel bewijs is op aanvraag verkrijgbaar, de aanname dat er niets abnormaals gebeurt is overigens wel cruciaal, zoals we snel zullen zien).

Als de AOW financieel niet aantrekkelijk is, waarom zijn we er dan mee begonnen? Toen ik een jong econoom was, dacht ik dat politieke beslissingen vooral door eigenbelang worden gemotiveerd. Ouderen hebben er financieel belang bij dat de AOW wordt ingevoerd. Zij krijgen immers direct bij invoering, of relatief snel na invoering recht op AOW en hebben daar niet of nauwelijks belasting voor betaald. Dus zijn het de ouderen die door hun politieke macht ervoor gezorgd hebben dat de AOW werd ingevoerd.

Maar we hebben toch een parlementair systeem, waarbij alleen als er een meerderheid voor is, een voorstel wordt aangenomen? Waren ouderen dan ook in het parlement in de meerderheid, bijvoorbeeld in 1956 toen de AOW in Nederland wet werd? Inderdaad, de gemiddelde leeftijd in het parlement is altijd vrij hoog geweest. De meerderheid van de parlementariërs is door de jaren heen ouder dan 45 jaar en zal daarom voor de invoering van de AOW zijn. Ze worden er namelijk zelf beter van.

Verklaring 2 voor de AOW: zonder AOW zouden ouderen in een nachtmerrie leven

Natuurlijk was ik geen ouderen-basher. Ouderen zijn er niet altijd op uit zich te verrijken ten koste van hun kinderen. Misschien is het eerder omgekeerd. Mijn moeder verzuchtte vaak dat “een moeder wel voor tien kinderen kan zorgen, maar tien kinderen niet voor één moeder”. Ofte wel, ouderen maken zich bezorgd om (hun) kinderen, maar het omgekeerde is vaak niet waar.

Wat dat betekent voor ouderen, als de economie volledig in het ongerede is geraakt, zoals tijdens de Grote Depressie van de jaren 1930, werd in 1985 uitgesproken door toen een van de belangrijkste Democratische politici, Thomas O’Neill: “Het leven voor de ouderen is gevuld met onzekerheid en afhankelijkheid. Het is een nachtmerrie. Wanneer je oud wordt, heb je geen inkomen en geen hoop.” (geciteerd uit een paper van Carolyn Weaver die juist niet pro-AOW is). Dramatische gebeurtenissen, zoals de Grote Depressie en WOII daarna, beroven ouderen van hun spaargelden en veroordelen ze tot een leven in armoede. Zelfs egoïstische kinderen willen dit niet toestaan. Ze betalen liever een betrekkelijk lage belasting voor de AOW dan steeds maar weer bedelende ouderen tegen te komen.

De AOW is dus misschien niet ingevoerd omdat politiek machtige ouderen dat hebben doorgedrukt, maar omdat jongeren armoede onder de ouderen wilden voorkomen of bestrijden. De AOW kan zelfs de enige manier zijn om ouderen te onderhouden, zoals Samuelson laat zien in zijn onder economen beroemde analyse. Of misschien speelden beide motieven (politieke macht ouderen, altruïsme van de jongeren) wel een rol. Het valt niet precies te bepalen.

De betaalbaarheid van de AOW

Oorspronkelijk heerste in Nederland het idee dat een overheids-pensioen alleen voor de allerarmsten moest zijn. Voor hen was het leven tijdens de oude dag een nachtmerrie omdat zij dan versleten en zonder inkomen zijn. De andere ouderen kunnen een beroep doen op hun eigen middelen, of wellicht hun eigen kinderen.

Dit idee werd echter later verlaten. Politici waren bang dat een exclusieve regeling voor alleen de arme ouderen te weinig gesteund zou worden door de bevolking. Daarom is aan de OuderdomsWet de A van algemeen aan de voorkant geplakt. Iedere oudere krijgt een AOW-uitkering en, omgekeerd, iedere jongere betaalt een AOW-premie om die uitkeringen te financieren. De invoering van de AOW in Nederland werd breed gesteund en vrij lange tijd stond de AOW niet ter discussie.

In onderstaande grafiek zien we de bruto AOW-uitgaven als percentage van het nationaal inkomen – voorgesteld door het bruto binnenlands product, bbp. In de grafiek is dat percentage aangeduid met AOW % bbp, laten we dit percentage kortweg het AOW-aandeel noemen. Het AOW-aandeel is het beslag dat de AOW op het nationaal inkomen legt. We zouden bij benadering kunnen zeggen dat dit AOW-aandeel aangeeft hoe veel werkenden van hun inkomen moeten opgeven voor de financiering van de AOW-uitkeringen (dat is een benadering omdat ook AOW-ers zelf belasting betalen om hun eigen AOW te financieren).

In de grafiek geven de oranje kolommen het AOW-aandeel weer voor een aantal jaren van 1970 tot 2018, berekend met officiële CBS-gegevens. Het eerste dat opvalt dat de kosten van de AOW, weergegeven door het AOW-aandeel, niet uit de hand zijn gelopen in deze periode. In 2018, bijvoorbeeld, was het AOW-aandeel lager dan in 1990.

De huidige ouderen droegen het meeste af voor de AOW

We zien verder dat in tien jaar tijd van 1970 tot 1980 dit aandeel toenam van 4,1% tot 5,3%. Dit was een gevolg van de toename van het aantal mensen met een AOW-uitkering (de zwarte curve), maar ook door een (relatieve) verhoging van de AOW-uitkering. Als de stijging ongeveer in hetzelfde tempo zou zijn doorgegaan, zou in 1990 het AOW-aandeel 6,5% zijn geweest, maar het was 5,5%, terwijl de vergrijzing (= relatieve toename aantal AOW-ers) in de jaren 1980-1990 sneller ging dan in de jaren 1970-1980.

De oorzaak van de afname van de stijging van het AOW-aandeel kon dus niet anders zijn dan een relatieve verlaging van de AOW-uitkering: oftewel het nationaal inkomen steeg sneller dan de AOW-uitkering. Na 1990 zien we tot 2008 hetzelfde patroon: de vergrijzing blijft aanhouden (aantal AOW-ers stijgt), maar het AOW-aandeel daalt eerder dan dat het toeneemt.

We lezen dus uit de grafiek dat diegenen die werkten in de jaren 1980 en 1990 de hoogste ‘premies’ betaalden voor de AOW. Deze mensen betaalden daarnaast ook nog VUT-premies, zodat de toenmalige ouderen eerder met pensioen konden. Veel van deze betalers van de VUT-premie konden of kunnen echter zelf niet met vervroegd pensioen: de VUT was inmiddels afgeschaft. Deze generatie, die voor een groot deel al gepensioneerd is, werd dus twee maal zwaar belast. Ten eerste betaalden ze een hoge belasting voor de AOW en ten tweede hebben ze hun hele werkende leven de VUT-premie betaald, zonder er een VUT voor terug te krijgen. Eigenlijk is deze generatie driedubbel, of misschien wel vierdubbel belast, want ze kregen ook nog te maken met een verhoging van de pensioenleeftijd (zie hieronder) en een korting op hun (aanvullende) pensioeninkomen (daarover later meer).

De AOW is ‘stiekem’ verlaagd

In de grafiek hier boven zien we ook dat de generaties die deze eeuw de arbeidsmarkt opkwamen in het eerste decennium betrekkelijk weinig hoefden bij te dragen aan de AOW. Dat is raadselachtig omdat in het begin van de jaren 1980 berichten opdoken van een toenemende onbetaalbaarheid van de AOW: de premies zouden verdubbeld moeten worden bij gelijkblijvende AOW-uitkeringen (zie hier). Desondanks leken grote ingrepen in de AOW uit te blijven. De AOW had de allure van een onaantastbare voorziening. Zo was in 1994 alleen al de aankondiging van het CDA dat zij de AOW-uitkering wilde bevriezen, voldoende reden voor een van de grootste verkiezings-nederlagen in de vaderlandse geschiedenis.

Toch hield de AOW-uitkering geen gelijke tred met de welvaartsgroei. Alleen, niemand had dat door, welllicht zelfs de verantwoordelijke politici niet. Vanaf 1980 bleef de AOW-uitkering beetje bij beetje achter op de gemiddelde welvaart. Hoe zat het dan met de macht van de ouderen en/of de bezorgdheid van de jongeren om de ouderen? Was zowel die macht als die bezorgdheid dan toch niet sterk genoeg om de AOW-uitkering welvaartsvast te houden?

Bij het begin van de kredietcrisis

Aan het eind van het eerste decennium van deze eeuw waaide een kredietcrisis van de VS naar Nederland over. Een kredietcrisis brengt besparingen in gevaar: vermogens verdampen doordat de waarde van de aandelen door het gebrek aan vertrouwen in de economie sterk daalt. Veel besparingen zijn (verplicht!) belegd in pensioenfondsen die de gelden voor een groot deel in aandelen beleggen. Als de waarde van besparingen daalt, kun je armoede voorkomen door de AOW-uitkering minstens constant te houden of liever zelfs te verhogen. Dat gebeurde, zoals we zagen, in de VS. Als reactie op de grote depressie in de jaren 1930 werd daar toen een AOW voor ouderen ingevoerd. In Nederland werd, als reactie op de armoede die WOII had gebracht, eerst een noodvoorziening voor ouderen en later de AOW ingevoerd.

Maar de kredietcrisis leidde niet tot een grotere steun voor de AOW in Nederland. Integendeel, de liefde voor de AOW leek plotseling over. De politiek vond de AOW onbetaalbaar worden en om de AOW te ‘redden’ moest de AOW-leeftijd verhoogd worden. Kijken we weer naar de boven weergegeven grafiek met het AOW-aandeel. We zien dat het AOW-aandeel in 2009 (nog geen 4,1%) meer dan een procentpunt lager was dan in de jaren 1980 (ongeveer 5,4%), toen de eerste golf van onrust over de betaalbaarheid van de AOW was ontstaan.

Kijken we dan naar de jaren na 2008, toen de kredietcrisis in Europa toesloeg. Inderdaad loopt dan het AOW-aandeel op van 4,1% in 2008 tot 5,2% in 2016. Was dat een gevolg van de vergrijzing? Nee, zeker niet. De oorzaak was dat de kredietcrisis tot een daling van het nationaal inkomen leidde, terwijl de AOW-uitkering wel, hoewel matig, steeg, zie hier. Toen vanaf 2015 de economische groei weer begon aan te trekken, daalde het AOW-aandeel weer, als gebruikelijk.

De AOW was zelfs niet meer te redden!

Toen de AOW het hardst nodig was, namelijk bij het begin van de kredietcrisis in 2009, was de AOW niet meer te redden. Politici als Donner en Klaver beweerden dat de AOW een te groot beroep op de bereidheid van jongeren deed de AOW-premie af te dragen. Die bereidheid zou verdwijnen bij een verdere stijging van het AOW-aandeel. Die stijging is er dus helemaal niet (zie grafiek) maar inmiddels zal de AOW-leeftijd langzaam maar zeker stijgen tot 70 jaar in 2050.

Voor veel arme ouderen, die er nu, maar zeker ook in 2050 zullen zijn, is daarmee de AOW om twee redenen nog maar van weinig waarde. De eerste reden is dat het juist voor deze bejaarden moeilijk is op een gezonde manier de AOW-leeftijd te halen. Hoe hoger de AOW-leeftijd des te moeilijker dat zal zijn. De tweede reden is dat deze groep van bejaarden veel minder oud wordt dan de ‘gemiddelde’ bejaarde. Zij profiteren dus ook veel minder van de AOW dan de gemiddelde bejaarde: hoe hoger de AOW-leeftijd, des te schever dat profijt wordt. Deze groep betaalt tijdens hun werkende leven wel heel lang belasting voor de AOW, want zij beginnen jong met werken, maar krijgen daar weinig voor terug, want zij gaan relatief jong dood.

Conclusie: arme ouderen van nu zijn de dupe

We hebben gezien dat de ouderen van nu tijdens hun werkende leven met de hoogste kosten voor de AOW werden geconfronteerd. Ook hebben zij tijdens hun hele werkende leven VUT-premie betaald (de VUT werd begin jaren 1980 ingevoerd), maar daar niets voor terug gekregen (de VUT werd rond 2005 afgeschaft). Voor de armere ouderen onder de huidige ouderen komt daar nog eens bij dat de hogere AOW-leeftijd vooral voor hen zwaar weegt. Door hun relatief lage levensverwachting krijgen zij veel minder profijt van de AOW dan hun leeftijdsgenoten in betere doen.

De verhoging van de AOW-leeftijd die in 2011 werd ingevoerd, heeft dus vooral armere ouderen van nu getroffen. Als de AOW al onbetaalbaar dreigde te worden, wordt de betaalbaarheid vooral over de ruggen van deze arme ouderen gegarandeerd.

Waarom leidt decentralisatie van de jeugdzorg tot toenemende uitgaven?

In 2015 werden belangrijke delen van de zorg, waaronder de jeugdzorg, een taak voor gemeenten in plaats van het Rijk of de provincies. Deze zogenaamde decentralisatie zou naar verwachting tot een kostenbesparing leiden en om dat alvast te incasseren, droeg het Rijk minder geld naar de gemeenten over voor deze zorgtaken. De kostenbesparing is er bij de gemeenten echter niet gekomen, vooral niet bij de jeugdzorg en veel gemeenten kampen met grote tekorten. We bespreken hier wat de oorzaken daarvan zouden kunnen zijn, maar we gaan eerst na wanneer een overheidstaak op decentraal en wanneer op centraal niveau zou moeten worden uitgevoerd.  

“Waarom leidt decentralisatie van de jeugdzorg tot toenemende uitgaven?” verder lezen

Moderne monetaire theorie (MMT): actueel (voor de VS) en controversieel

Het nieuwe politieke icoon in de VS, congreslid Alexandria Ocasio-Cortez, zette de MMT in januari 2019 (weer) op de politieke agenda. Het leidde tot een fel debat met uitspraken van tegenstanders als: MMT is een “foute grap”, “rampzalige onzin”, “rijp voor de vuilnisbak”, enzovoorts. Het ligt erg voor de hand dat MMT controversieel is. Een van de belangrijkste uitgangspunten namelijk is dat overheidstekorten of overheidsschulden er niet zo veel toe doen als die schulden zijn uitgegeven in de eigen munt van de overheid. Dit is een idee dat budgettaire ‘haviken’ (die eigenlijk vinden dat de overheid helemaal geen schuld mag hebben) doet rillen. Maar ook mensen (veelal economen) die wat genuanceerder over schuld denken (“overheidsschuld is niet rampzalig, zolang het niet uit de hand loopt”) zijn sceptisch over MMT. “Moderne monetaire theorie (MMT): actueel (voor de VS) en controversieel” verder lezen

Waarom het terecht is boycots van Israël te boycotten

Michiel Bot beweert in het Nationaal Juristenblad (NJB, 2018, nr. 1) dat pogingen door nationale overheden om boycots van Israël te bestrijden in strijd zijn met het beginsel van de vrijheid van meningsuiting en vergadering. Hij verwijst daarbij naar boycotacties van Afro-Amerikaanse burgers in de jaren 60 die gericht waren tegen personen en bedrijven die raciale segregatie in de VS in stand hielden. Het Hooggerechtshof in de VS had destijds geoordeeld dat deze acties in overeenstemming met de vrijheid van meningsuiting en vergadering waren. Bot trekt daaruit de conclusie dat de anti-Israëlboycots ook wettig zouden zijn. Hij haalt echter twee soorten boycots door elkaar. De oproepen tot een boycot van Israël raakt het buitenlandse beleid van landen. De nationale overheden van die landen, zoals de federale overheid in de VS, claimen daar een alleenrecht op. De boycotacties van de jaren 60 waren gericht op het beleid van staten. Deze staten zijn ondergeschikt aan de federale overheid en hadden en hebben geen alleenrecht op het beleid inzake burgerrechten. “Waarom het terecht is boycots van Israël te boycotten” verder lezen

Bevolkingsgroei: goed of slecht voor de economie?

Volgens de ‘neo-klassieke’ economische groeitheorie van Solow (1956) is bevolkingsgroei goed voor groei. Hoe meer mensen er zijn, des te meer er gespaard wordt en des te meer geld beschikbaar is voor investeringen in kapitaal. Gooien we er dan ook nog een sausje ‘nieuwe groeitheorie’ overheen, volgens welke er in nieuw kapitaal nieuwe ideeën verwerkt zijn die de economie nog beter doen functioneren. Dan zal een snel groeiende bevolking de welvaart van iedereen nog meer doen toenemen. Hoe harder de bevolking groeit, des te meer kapitaal er geïnvesteerd wordt en dus ook des te meer nieuwe ideeën gebruikt kunnen worden. De economie en de welvaart zullen daardoor (des te harder) groeien. Dat is de theorie in een notendop, maar de ‘echte’ oude theorie, namelijk die van de klassieken in de 18e en 19e eeuw, dacht heel anders over de gevolgen van bevolkingsgroei. Bevolkingsgroei zou alleen maar leiden tot hongersnoden en massasterfte. “Bevolkingsgroei: goed of slecht voor de economie?” verder lezen

De EU wordt een transferunie

Toen Griekenland in 2010 problemen kreeg door een extreem hoge overheidsschuld, werd binnen de kortste keren een tijdelijk fonds opgericht, het ESM geheten, om de Griekse overheid van ‘zachte’ leningen te voorzien. De Europese Commissie wil dat fonds nu gaan uitbouwen tot een permanent fonds dat overdrachten geeft aan lidstaten in (tijdelijke) financiële en/of economische problemen. Daarmee zou de EU een transferunie worden die economische schokken voor lidstaten opvangt door tijdelijke leningen. De Nederlandse minister van financiën, Wopke Hoekstra, mobiliseerde een aantal kleinere lidstaten om zich tegen zo’n ‘schokfonds’ te verzetten. Het mocht niet baten: op 4 december 2018 besloten de EU-ministers van financiën tot de oprichting van dat fonds en dat fonds zal bovendien niet alleen tijdelijke schokken opvangen, maar rijke lidstaten van de EU zullen via dit fonds arme lidstaten permanent onderhouden. “De EU wordt een transferunie” verder lezen

Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren

De AOW-leeftijd van 65 jaar was lange tijd onwrikbaar in Nederland. De eerste kras kwam in het begin van de jaren 80 met de vervroegde-uittredingsregelingen (VUT). Hierdoor konden veel mensen al rond hun 60e jaar met pensioen. Maar 10 jaar geleden begon de slinger de andere kant op te zwaaien: voor jongeren is nu de verwachte AOW-leeftijd 71 jaar, of hoger. De huidige ouderen gaan al veel later met pensioen dan 10 jaar geleden, maar veel ouderen die werkeloos zijn geworden kunnen nauwelijks een nieuwe baan vinden. Mensen in zware beroepen, daarentegen, hebben moeite gezond de pensioenleeftijd te halen. Het lijkt aannemelijk dat deze verschijnselen (hoge werkloosheid onder ouderen, problemen voor ouderen in zware beroepen) met de hogere AOW-leeftijd te maken hebben. Een basisinkomen voor ouderen dat op 65-jarige leeftijd begint, zou een beter alternatief zijn dan het voortdurend verhogen van de AOW-leeftijd en zou, als het meezit, zelfs geld kunnen opbrengen. “Laten we een basisinkomen voor ouderen invoeren” verder lezen